Lid van een Hoorns regentengeslacht, die na zijn rechtenstudie in Hoorn advocaat, gemeenteontvanger en raadslid was. In 1838 burgemeester van twee kleine gemeenten in de Zeevang en tevens tot Tweede Kamerlid gekozen. Behoorde tot de conservatieve getrouwen van de koning en werd in 1844 Kamervoorzitter. In dat jaar volgde ook zijn benoeming tot burgemeester van Hoorn. Weigerde twee jaar later een benoeming tot minister, maar werd in 1847 wel Eerste Kamerlid. In 1848 tegenstander van de staatkundige hervormingen.