Groningse edelman, die zijn bestuurlijke loopbaan in de Franse tijd begon als belastingambtenaar en in 1818 Statenlid in Groningen werd. In 1832 gekozen tot lid van de Tweede Kamer en daarvan in 1839/1840 voorzitter. Werd kort voor diens aftreden door koning Willem I tot Eerste Kamerlid benoemd en bleef dat tot het einde van het oude bewind in 1848. Groningse landjonker, van wie de grootvader en vader bestuursfuncties bekleedden. Een zoon en kleinzoon van hem hadden zitting in het parlement.