Amsterdamse grootburger, zoon van een regent en telg van een bankiersfamilie. Vervulde voor 1795 bestuursfuncties en werd later advocaat. Kwam in 1824 voor de hoofdstad in de Tweede Kamer en voerde daar geregeld het woord over koloniale aangelegenheden. Voorstander van vrijhandel. Stond kritisch tegenover de financiële politiek van de koning, maar die benoemde hem in 1830 toch tot directeur-generaal en een jaar later tot minister van Waterstaat, Nijverheid en Koloniën. Werd in 1833 Eerste Kamerlid en in 1834 minister van staat.