Zeer welgestelde Amsterdamse patriciër die in 1787 bij de patriottische revolte vanwege zijn orangistische gezindheid werd afgezet als regent. Keerde echter spoedig terug toen de Pruisen het oude bewind herstelden. In januari 1795 kwam er door de Franse inval opnieuw (tijdelijk) een einde aan zijn bestuursfuncties, maar in 1802 keerde hij wederom terug. Na lid te zijn geweest van het departementaal bestuur werd hij in 1806 lid van de Staatsraad en in 1808 van het Wetgevend Lichaam. Ook na 1813 speelde hij als lid van de Notabelenvergadering en van de Staten-Generaal nog een rol op nationaal niveau.