Medestander van Groen van Prinsterer, zoon van Gijsbert Karel en in 1848 buitengewoon Tweede Kamerlid. Wierp bij de behandeling in de Dubbele Kamer van het laatste voorstel tot Grondwetsherziening de vraag op waarom wetsvoorstellen tot Grondwetsherziening na de tweede lezing opnieuw aan de Eerste Kamer werden voorgelegd. Hij betoogde dat de Senaat die wetsvoorstellen immers al een keer had beoordeeld. Was overigens tegenstander van de herziening van 1848.