Amsterdamse koopman en later president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die in 1848 door koning Willem II tot Eerste Kamerlid werd benoemd om mee te werken aan aanneming van de voorstellen tot Grondwetsherziening. Was daarna voorbestemd om Eerste Kamervoorzitter te worden, maar bedankte voor die functie. Was wel vanaf 1853 nog ruim tien jaar een gematigd liberaal senator.