Uit Den Haag afkomstige katholiek, die als 32-jarige afgevaardigde voor het district Breda werd. Was daarvoor in diplomatieke dienst en advocaat. In Den Haag tevens korte tijd wethouder. Gehuwd met een dochter van de schatrijke baron Van Brienen van de Groote Lindt. Tamelijk zelfstandig in de Kamer. Werd in de jaren 1896-1904 steeds op de voordracht voor het Voorzitterschap gezet en leidde de Kamercommissie die de parlementaire behandeling van de Kieswet-Van Houten voorbereidde. Keurige, modieus gekleede katholieke afgevaardigde. Werd in 1905 secretaris-generaal van het Hof van Arbitrage in Den Haag.