Nijmeegse burgemeesterszoon uit een Gelders adellijk geslacht, die in de Tweede Kamer één van de eerste medestanders van Groen van Prinsterer was. Na advocaat en rechter te zijn geweest, werd hij lid van de Dubbele Kamer die over de Grondwetsherziening van 1848 besliste. Vanaf 1850 afgevaardigde voor het district Arnhem, die regelmatig het woord voerde over uiteenlopende onderwerpen. Schoonvader van Aeneas Mackay.