Rechtsgeleerde die als liberaal Tweede en Eerste Kamerlid was. Zoon van een hoogleraar theologie in Leiden. Doorliep een loopbaan bij de rechterlijke macht, waarbij hij opklom van substituut-officier van justitie tot procureur-generaal. Speelde in de Kamer een belangrijke rol bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht, maar bleef overigens tamelijk op de achtergrond. Tevens twintig jaar Statenlid en door die Staten in 1891 tot Eerste Kamerlid gekozen, hetgeen hij tot zijn dood in 1912 bleef. Maakte in 1909 deel uit van de door Kuyper ingestelde ereraad vanwege de lintjesaffaire.