Rechter in Alkmaar en Leiden, die als Tweede Kamerlid een trouw volgeling was van Kappeyne van de Coppello. Behoorde later wel tot de anti-Takkiaanse tegenstanders van te grote kiesrechtuitbreiding en nam als minister van Justitie zitting in het kabinet-Röell. Bracht geen belangrijke wetgeving tot stand en mislukte feitelijk als minister. Als Kamerlid vaak lang van stof, maar wel deskundig en gewaardeerd. Stond bekend om zijn onverstoorbare opgewektheid.