Conservatieve, strenggelovige, hoffelijke en gematigde bestuurder. Typische regent. Kleinzoon van een oud-minister en schoonzoon van een oud-Kamerlid. Doorliep een ambtelijke loopbaan en werd ten tijde van het kabinet-Kuyper secretaris-generaal van Financiën. Volgde in 1907 in het district Ede als Haagse topambtenaar een uitgesproken vertegenwoordiger van de gereformeerden van de Veluwe op. Zat twee jaar voor de ARP in de Tweede Kamer en was daarna zestien jaar Commissaris van de Koningin in Gelderland. Zette zich bijzonder in voor uitbouw van de Landbouw-Hogeschool in Wageningen. Het ambt van Commissaris moest hij opgeven vanwege doofheid. Hij was van 1929 tot zijn overlijden in 1942 nog wel Eerste Kamerlid.