Kort voor kerst staat er iets bijzonders te gebeuren: bijna 150 jaar na de oprichting van de eerste politieke partij in Nederland buigt de Tweede Kamer zich over de invoering van een Wet op de politieke partijen. Ons land is op dit vlak bepaald niet haantje de voorste. Nederland is een van de weinige Europese landen zonder (grond)wettelijke kaders voor politieke partijen.1
Vaak wordt deze lacune verklaard uit een diepgewortelde terughoudendheid: partijen zijn private organisaties waar de staat zich niet mee te bemoeien heeft. Sinds de jaren 1950 is dit argument telkens gebruikt om partijwetgeving af te wijzen.
Toch is die ‘traditie’ van ‘non-interventionisme’ ook weer niet zó vanzelfsprekend als wel gesuggereerd. De vorige keer dat het echt spannend was in de Nederlandse democratie, in de crisisjaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog, had dit denken nog bepaald niet de overhand. Sterker, er was vergaande politieke bereidheid om juridische maatregelen te treffen tegen politieke krachten die openbare orde en rechtsstaat bedreigden.
Lont in het kruitvat – letterlijk – was de muiterij op het marineschip De 7 Provinciën in februari 1933, vlakbij Sumatra. De overwegend Indonesische bemanning was in opstand gekomen tegen een volgende, forse loonkorting. Regering en leger grepen met grof geschut in. Socialisten en anti-kolonialisten die zich hier te lande solidair toonden met de muiters, zoals Jacques de Kadt (net geroyeerd uit de SDAP) en Henk Sneevliet (RSAP), kregen gevangenisstraf.
Deze geschiedenis luidde een periode in van naarstig zoeken naar nieuwe regelgeving om revolutionaire opstand, organisaties en uitlatingen te bestrijden. Het politieke klimaat was in korte tijd zo veranderd dat snelle realisatie zonder al te veel weerstand mogelijk bleek.
Als het aan kersvers premier Colijn had gelegen, was meteen doorgepakt met voorstellen om revolutionair-gezinde volksvertegenwoordigers uit het ambt te zetten, en tot gevangenisstraf veroordeelden kiesrecht te ontnemen. Dat ging een Tweede Kamermeerderheid te snel, ondanks sympathie voor de voorstellen. Het ging hier toch om de onaantastbaarheid van gekozen vertegenwoordigers. Zij drong aan op een staatscommissie die zich verder over een grondwetsherziening moest buigen.
Na de muiterij waren er al wel een aantal ‘gezagsversterkende’ maatregelen afgekondigd, zoals het verbod voor ambtenaren en militairen om lid te zijn van organisaties die omverwerping van de bestaande Nederlandse staatsvorm voorstonden. De maatregelen waren vrijwel uitsluitend tegen socialistische kringen gericht. Het door SDAP geuite bezwaar dat hierdoor een kwart van de bevolking – haar electoraat – tot persona non grata werd gedegradeerd, maakte op de Kamermeerderheid geen indruk. Dat de NSB eind 1933 ook op zwarte lijst werd gezet, was op dat moment eerder om anti-linkse schijn tegen te gaan dan uit anti-rechtse overtuiging.
In de gangbare geschiedschrijving wordt laconieker over deze episode geschreven dan gerechtvaardigd lijkt. Er lagen serieuze voorstellen ter tafel om de vrijheid van organisatie, van pers én de uitingsvrijheid van volksvertegenwoordigers ernstig in te perken. Een Kamermeerderheid had zich achter een regeling geschaard om volksvertegenwoordigers die aan opruiing deden of strafbare feiten begingen, permanent te kunnen schorsen. In zo’n geval mocht de partij ook geen vervanger aanwijzen.
Zulke voorstellen wegzetten als ‘een sterk staaltje constitutioneel paniekvoetbal’, zoals in een recent parlementair-historisch overzichtswerk gebeurt, miskent de politieke wil van destijds tot vergaande interventie.2 Dat de voorstellen uiteindelijk niet de benodigde tweederdemeerderheid haalden voor een grondwetsherziening, doet aan dit gegeven niet alles af.
Na de Tweede Wereldoorlog laaide de discussie over de wenselijkheid van partijregulering – inclusief een mogelijk partijverbod – nog eens fel op. Elke nieuwe vorm van totalitaire verleiding moest krachtig worden bestreden. Sinds 1948 kwam die dreiging vooral van het communisme. Opnieuw werden vergaande voorstellen besproken die stukliepen op een grondwetsherziening, en opnieuw troffen kabinet en Kamer ondertussen maatregelen om dan ten minste de politieke speelruimte van communistische volksvertegenwoordigers te begrenzen.
Pas midden jaren 1950 kantelde het debat, en raakte de kwestie van wettelijke regulering (of inperking) van politieke partijen omstreden. De christelijke partijen, die in dit debat bepalend waren, bleven liever ‘soeverein in eigen kring’.
De ‘traditie van terughoudendheid’ die sindsdien in het debat over partijwetgeving steeds weer opduikt, heeft in dit opzicht wel iets weg van een invented tradition: uitgevent door de naoorlogse volkspartijen die zo min mogelijk overheidsbemoeienis wensten. Soms uit juridisch principe, vaak uit welbegrepen eigenbelang. Bovendien: het idee van de handelingsvrijheid van partijen kón alle ruimte krijgen, omdat er vanaf de jaren 1960 geen directe dreiging was die anders afdwong.
In de decennia daarvóór werd dat duidelijk anders gevoeld.
De geschiedenis laat zo in elk geval zien, dat het Nederlandse debat niet in één traditie staat: van tolerantie, óf van repressie.
1. Joris Gijsenbergh en Gerrit Voerman, ‘De politieke partijen: wel in de wet, niet in de Grondwet?’, in: G. Voerman, G. Karapetian, S. Maasbommel (red.), Wie regelt, beperkt? De ontwerp-Wet op de politieke partijen en de traditie van het non-interventionisme, Montesquieu-reeks 22.
2. J.Th.J. van den Berg en J.J. Vis, De eerste honderdvijftig jaar. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1796-1946 (Amsterdam 2013) 671-673.