Het laatste alternatief

De grondwetsartikelen 65 en 105 maakten dat er op Prinsjesdag toch een begroting was. Het is de vraag of dat zonder die 'dwang' ook het geval zou zijn geweest. We hebben immers niet alleen met een minderheidskabinet te maken, maar tevens met een niet-homogeen kabinet. Dat zorgde al voor verlamming. In het kabinet vormen de zes VVD-ministers nochtans een minderheid. Zij kunnen in de ministerraad 'weggestemd' worden door de D66- en CDA-ministers. Die wetenschap zou bij een crisis een opmaat kunnen zijn naar een laatste alternatief, in plaats van ongewenste vervroegde verkiezingen: een homogeen minderheidskabinet zonder de VVD, dat wel succesvol naar meerderheden kan zoeken.

Op dit moment speelt de VVD een dominerende rol in de coalitie; een rol die niet geheel overeenkomt met het inmiddels na twee verkiezingsnederlagen resterende zeteltal, vijftien procent van de zetels. Ter vergelijking: in 2012 had de VVD 41 zetels, bijna het dubbele van nu. Misschien was het te grote toegevendheid of onderschatting, maar feit is dat de VVD een sterk stempel op het kabinetsbeleid drukt (voor zover dat al van de grond komt). De positie van minister Heinen blijkt dominant. Daarnaast lijkt vicepremier Yesilgöz soms bezig met een permanente verkiezingscampagne.

De impasse die zich rond de begroting aftekent, is grotendeels terug te voeren op de opstelling van de VVD. Het is denkbaar dat bemiddeling (misschien via een 'informateur') alsnog een oplossing brengt. Maar of het structurele probleem van gebrek aan homogeniteit daarmee verdwijnt, is de vraag. De opstelling van de VVD blokkeert de logische weg om over 'links' een meerderheid in beide Kamers te vinden; een meerderheid die er is.

De in februari tot stand gekomen coalitie brengt niet wat mag worden gehoopt, maar daarnaast zouden er andere goede redenen kunnen zijn om die te beëindigen. De VVD is sinds 2010 een dominerende factor in coalities, de eerste veertien jaar met name via het premierschap van Mark Rutte. Het zou te simpel zijn om allerlei voortslepende problemen aan haar toe te schrijven, maar de medeverantwoordelijkheid is groter dan van andere partijen. Denk aan het vastlopen van de asielopvang, het cellentekort, de problemen met de infrastructuur, het niet oplossen van het stikstofprobleem en de onevenwichtige lastenverdeling.

Uiteraard zou vertrek van de VVD voor een moeilijke politieke situatie zorgen. D66 en CDA hebben in de Tweede Kamer 44 en in de Eerste Kamer 13 zetels en komen voor een meerderheid dus 32 respectievelijk 25 zetels tekort. Als naar de gehele 'linkerzijde' wordt gekeken, dan zijn die tekortkomende zetels er echter wel. In die zin is de VVD niet 'incontournable'1). Heel wenselijk is dit scenario niet, maar het zou wel eens het laatste alternatief kunnen zijn. Nieuwe verkiezingen zijn nog onwenselijker. De wetenschap alleen al kan misschien helpen om tot doorbraken te komen.

Er is grond voor twijfel of partijen als DENK en Partij voor de Dieren inschikkelijk genoeg zijn om een centrumkabinet steun te geven en dat geldt in mindere mate voor de SP. Zij zullen bereid moeten zijn een gedoogrol aan te gaan. Daar zitten voor hen voor- en nadelen aan. De mogelijkheid dient in ieder geval in beeld te komen. Er is geen wetmatigheid dat een breuk met de VVD automatisch tot verkiezingen moet leiden. Hopelijk beseft de VVD dat ook.

Vraag is dan alleen: hoelang 'gedogen' D66 en CDA de VVD nog in hun minderheidskabinet?

Columns


1) J.Th.J. van den Berg, column 'Incontournable', 14 april 2017