Hoe komt de wil van het volk tot uiting? Dat lijkt een simpele vraag. Er zijn immers verkiezingen en daarmee bepalen de kiezers ('het volk') de verhoudingen in de Tweede Kamer. Niettemin is soms het geluid te horen, dat 'de bevolking' toch eigenlijk voor intrekking van de Spreidingswet is of dat het zittende kabinet nog nauwelijks steun heeft. Meningen, gevoelens en peilingen bepalen die opvatting. Het parlementaire stelsel is anders. Het is niet perfect en er zijn wellicht alternatieven, maar geen ervan is beter.
Hoewel er ook aanzienlijke verschillen zijn, is er een parallel te trekken tussen de politieke situatie en verhoudingen na de verkiezingen van 1913 en na die van 2025. De uitkomst was in beide jaren dat er nauwelijks een parlementair meerderheidskabinet was te vormen. In 1913 had dat gekund als partijen ter rechterzijde (confessionelen) en linkerzijde (liberalen en sociaaldemocraten) een gemengd kabinet hadden gevormd. In 2025-2026 was een meerderheidskabinet denkbaar als vier middenpartijen (D66, VVD, PRO en CDA) samenwerking waren aangegaan.
In 1913 was de uitkomst een liberaal-vrijzinnig extraparlementair kabinet-Cort van der Linden. De sociaaldemocraten hadden wellicht wel kunnen deelnemen, maar de SDAP verkoos vanwege strategische redenen buiten het kabinet te blijven. In 2025-2026 blokkeerde de VVD deelname van GroenLinks-PvdA (PRO), nog voordat onderzocht was of er tot inhoudelijke overeenstemming kon worden gekomen.
Belangrijk was dat premier Cort van der Linden in 1913 ook de 'volkswil' als basis nam voor het kabinetsbeleid.1) Wat dat precies inhield bleef enigszins vaag, maar feitelijk bedoelde hij dat ook met opvattingen van de niet-liberale partijen rekening zou worden gehouden. Van der Linden vond dat het kabinet een zelfstandige positie moest innemen ten opzichte van partijen. Dat nam niet weg dat het zoeken naar parlementaire meerderheden noodzakelijk bleef.
Had de Nederlandse politiek zich in de jaren 1901-1913 gekenmerkt door vrij scherpe tegenstelling tussen 'rechts' en 'links' (al viel dat in de praktijk vaak best mee), nu zou meer naar compromissen en consensus worden gezocht. Die opening leidde al einde 1913 tot instelling van 'parlementaire' Staatscommissies die twee grote politieke kwesties, kiesrecht en subsidiëring van het bijzonder onderwijs, moesten gaan beslechten.2) Omdat dit grondwetswijziging vergde en er dus een tweederde meerderheid nodig zou zijn, kon dat ook niet anders.
Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog veranderde de situatie. Vanaf dat moment werden alle politiek-gevoelige kwesties tijdelijk terzijde geschoven. Wat het regeren overeenkomstig de 'volkswil' concreet betekende, was daarna nog nauwelijks vast te stellen. Er was weinig nieuw beleid.
Tegen het begrip 'volkswil' werd al direct bezwaar aangetekend. Politieke leiders betoogden dat er slechts één middel is waardoor volkswil tot uiting komt. Dat zijn de verkiezingen. Terecht! Zo werkt nu eenmaal het parlementaire stelsel. Voor ieder kabinet is het van belang om meerderheden in het parlement voor zijn voorstellen te verwerven.
Dat het kabinet daarbij niet alleen steun zoekt bij de 'coalitie' of bij welgezinde fracties, is soms noodzakelijk en vaak verstandig. Maar of politieke verhoudingen in de samenleving inmiddels wel of niet zijn verschoven, doet er niet toe. Natuurlijk houdt een verstandig kabinet rekening met geluiden uit de samenleving en gaat het in dialoog met maatschappelijke organisaties. De verhoudingen in het parlement blijven niettemin bepalend, de gehele parlementaire periode (tenzij het vertrouwen wordt opgezegd). Wie dat niet erkent, ondermijnt het parlementaire stelsel.
Aan alternatieven als herhaalde Kamerontbining (en steeds weer verkiezingen) of (veelvuldige) referenda kleven grote bezwaren. Complexe kwesties zijn bijvoorbeeld niet tot een eenduidige vraag te herleiden. Een verstandig kabinet zoekt naar parlementaire meerderheden en dat kan alleen via parlementaire compromissen. Dat dit niet eenvoudig is en evenmin altijd populair, is iets anders. Uiteindelijk is dat wel de enige weg naar oplossing van problemen en juist dat is wat 'het volk' bovenal wil.
1) Over Cort van der Lindens idee van volkswil: Johan den Hertog, Cort van der Linden (1846-1935) Minister-president in oorlogstijd (Amsterdam 2007), pp. 293-303
2) De Staatscommissie-Bos over het onderwijs bestond geheel uit Kamerleden, in de Staatscommissie-Oppenheim over het kiesrecht waren vijf van de tien leden zittend Tweede Kamerlid.