'De bal ligt bij ons en niet bij de polder' en partijen staan buitenspel of ze gaan er met gestrekt been in. Wie erop let, ziet dat het wemelt van de sportmetaforen in de parlementaire context. Sport en politiek zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Al gaan soms stemmen op ze als afzonderlijke werelden te beschouwen, in de praktijk blijken ze onafscheidelijk. De wederzijdse belangen zijn simpelweg te groot. Waarom zijn veel politici zo dol op sport? En waarom moeten zij die er niets mee hebben er toch iets van vinden?
In de eerste plaats afficheren politici zichzelf graag als (top)sporter om een vitale indruk te maken. In campagnetijd worden we getrakteerd op hardlopende, wielrennende en kickboksende lijsttrekkers die voldaan grijnzend het zweet van hun voorhoofd vegen. De beeldtaal van een fitte, gespierde politicus die uitdagingen aangaat is krachtig en daardoor onweerstaanbaar.
Toch ligt imagoschade op de loer. CDA-leider Wopke Hoekstra postte in 2021 tijdens een van de corona-lockdowns vol trots een foto op social media waarop hij op noren rondjes reed met schaatslegende Sven Kramer door een leeg Thialf stadion. Thialf was net als andere sportlocaties al weken gesloten voor recreanten, Kramer had als topsporter een uitzonderingspositie, dus kritiek kon niet uitblijven. Hoekstra ging na deze scheve schaats deemoedig door het stof.
Sport wordt ook ingezet, ondersteund en aangemoedigd om sociale cohesie te bevorderen. Sport verbroedert. Om die reden worden nationale teams hartstochtelijk aangemoedigd door leden van de koninklijke familie. Ook politici zitten dikwijls op de eretribune. Zelfs minister-president Willem Drees, die niet bekendstond als een fanatieke sporter, was in augustus 1949 van de partij bij het Europees Kampioenschap Roeien. Hij liet zich samen met de Amsterdamse burgemeester d’Ailly in een auto langs de Bosbaan heen en weer rijden om de Nederlandse roei-equipe toe te juichen. Het haalde weinig uit: Italië was op dat moment de sterkste roeinatie van Europa.
Naast het bevorderen van de nationale eenheid is het bedrijven van sport in tijden van dreigend oorlogsgeweld ook gestimuleerd om de weerbaarheid van het volk te vergroten, zoals de historicus Jelle Zondag in zijn proefschrift Volkskracht over de versterking van Nederland in de jaren 1880-1940 overtuigend heeft laten zien.1) Sport- en beweegpropagandisten, onder wie legerofficieren, wisten in korte tijd gymnastiek een verplicht onderdeel van de lesprogramma’s op scholen te maken en bevorderden de aanleg van sportvelden. Dit alles om de collectieve kracht van de gehele bevolking te verhogen, al waren de ogen vooral gericht op jongens.
Ten vierde bieden internationale sportevenementen een goede gelegenheid tot het bedrijven van diplomatie. Tout le monde is er per slot van rekening, dus waarom in de marge van een wedstrijd niet even wat regelen of op zijn minst werken aan de verhoudingen? Dit werkte volgens voormalig topambtenaar Roel Bekker zelfs om de onderlinge relaties in de ambtelijke top op te vijzelen. Zo nam hij als hoogste ambtenaar (SG) op Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn collega Ad Geelhoed eens mee naar de WK-wedstrijd Nederland-Argentinië in Marseille in 1998.
Geelhoed, de SG van Algemene Zaken, was niet zo enthousiast over VWS, dat hij ‘te zweverig’ en te duur vond. Geholpen door Frankrijk, dat als gastland internationale hoogwaardigheidsbekleders vertroetelde en zorgde voor politie-escortes en copieuze maaltijden, raakte Geelhoed allengs in een beter humeur. De wonderschone goal van Dennis Bergkamp in de laatste minuut maakte het helemaal af. ‘Zo doen we dat bij VWS, zei ik tegen Ad [Geelhoed], (…) die voortaan zeer op de hand van VWS was’.2)
Tot slot zijn sport en politiek met elkaar verweven in wat wel ‘sportswashing’ wordt genoemd: een vorm van propaganda waarbij een (autocratisch) land het imago probeert op te poetsen door alle aandacht te vestigen op de organisatie van een groots sportevenement, in de hoop de minder fraaie kanten te verbloemen. De voorbeelden van deze ‘reclame voor dictators’ liggen voor het oprapen. Op Nederlandse sportbonden, teams én volksvertegenwoordigers is in het verleden meermaals maatschappelijke druk uitgeoefend om dergelijke evenementen te boycotten of op zijn minst een vorm van protest aan te tekenen. In 1978 schoof het kabinet-Van Agt I de roep om een boycot van het WK voetbal in het mensenrechten schendende Argentinië terzijde omdat sport apolitiek zou zijn. Dat argument bleek niet vol te houden.
Hoe Kamer en kabinet (en leden van het koninklijk huis) zich dan wel moeten opstellen tegenover autocratische landen die een prestigieus sportevenement organiseren, is sindsdien een terugkerend debat. Daarbij spelen zowel grote (commerciële) belangen als rechtsstatelijke principes een rol. Een oplossing is nog niet gevonden. Met een schijnbaar eindeloos (5 weken!) WK voetbal voor mannen voor de boeg kunnen de 18 miljoen bondscoaches zich hier misschien ook eens over buigen.
1) Jelle Zondag, Volkskracht. Sport, lichamelijke opvoeding en de versterking van Nederland 1880-1940 (Boom uitgevers; Amsterdam 2021).
2) Roel Bekker, De hoogste ambtenaar (Boom uitgevers; Den Haag 2024) 176.