Het kabinet dat vastzat in de achteruit

Uit de deze week verschenen bundel met beschouwingen over het kabinet-Schoof rijst het beeld van een kabinet dat in de achteruit probeerde de finish te halen.

Gauw vergeten dat kabinet-Schoof, zo klonk het dit voorjaar op een sociaal mediakanaal. Een invoelbare reactie misschien, maar geen verstandige. Actief vergeten is een daad van politiek die historisch gezien meer reden tot zorg geeft dan actief herinneren.

Gelukkig heeft de eerste poging tot ‘historiseren’ niet lang op zich laten wachten. Politiek wetenschappers uit verschillende disciplines analyseren in een nieuwe bundel van het Montesquieu Instituut hoe het kabinet-Schoof een breuk vormt met zijn voorgangers. Redacteuren Simon Otjes en Jeroen Vervliet destilleren twee centrale thema’s: allereerst het radicaal-rechtse, populistische karakter van regeringspartner PVV, dat het kabinet onmiskenbaar kleurde; en, als direct gevolg, de erosie van de politieke cultuur – in termen van omgangsvormen en institutionele verhoudingen.1)

Wie de bijdragen achter elkaar leest, ontwaart nog een derde lijn: het kabinet-Schoof zat muurvast in de achteruitversnelling. De coalitiegenoten vonden elkaar in de praktijk vooral in wat ze niet wilden: niet door met de Spreidingswet, weg met het integratiebeleid, niet onverkort verder met de pensioenwet, geen ontwikkelingssamenwerking, geen klimaatbeleid, geen investeringen in onderwijs en onderzoek.

De opzet van de bundel bevestigt deze dynamiek: slechts vier van de twintig beschouwingen besteden aandacht aan de concrete impact van het kabinet op specifieke beleidsterreinen – migratie, stikstof, bestuurlijke vernieuwing en buitenlands beleid. Opvallend afwezig zijn thema’s als volkshuisvesting, onderwijs, zorg, binnenlandse veiligheid en openbare orde: juist de terreinen waar de nationale overheid het verschil kan maken.

Toch biedt de bundel, in het bijzonder de bijdrage van Bert van den Braak, hier ook een belangrijke nuancering. Het kabinet-Schoof onderscheidt zich in vergelijking met eerdere kabinetten niet per se door een gebrek aan ambitie of ingediende voorstellen, maar door het onvermogen om deze voorstellen naar de finish te brengen. Ondanks de ruime meerderheid van 88 zetels legde de coalitie te weinig slagkracht aan de dag om tot wetgevende resultaten te komen.

Met name de wetsvoorstellen die met veel tamtam werden gelanceerd – intrekken van de Spreidingswet, het ‘strengste asielbeleid ooit’, huurbevriezing en een definitieve oplossing voor het stikstofvraagstuk – hebben het beeld geschapen van een kabinet van weinig concrete resultaten. Hier onderscheidt zich het populistische kabinet van een handelingsbekwaam kabinet: het verlangen om eenvoudige oplossingen te presenteren, wint het systematisch van het grondig doordenken van de politieke en bestuurlijke haalbaarheid.

De belangrijkste verklaring voor het feit dat het kabinet-Schoof er niet in slaagde door te schakelen naar een andere versnelling, zo laten meerdere auteurs zien, ligt in de slechte onderlinge relaties en verstoorde bestuurlijke verhoudingen.2)

Het ‘gemeen overleg’ tussen regering en parlement liep door de houding van Geert Wilders vanaf dag één ernstige schade op (twee woorden: ‘slappe hap’). Ook richting de decentrale overheden en uitvoeringsinstanties toonde het kabinet-Schoof zich niet bij machte of wille om de relaties werkbaar te krijgen.

De verstandhouding van het kabinet tot de instituties van de rechtsstaat – de rechterlijke macht en de Raad van State – was zelfs ronduit problematisch. Schoof c.s. schoven zware kritieken van de afdeling Advisering terzijde en wezen politiek onwelgevallige uitspraken van de rechtspraak van de hand, of traineerden de opvolging daarvan. Het kabinet-Schoof beperkte zich hier vooral tot negeren, protesteren en afremmen.

Hoelang de kiezer dit was blijven accepteren, blijft door de vroege implosie van het kabinet een open vraag. Geïnspireerd door de verkiezingen in Hongarije, stelde Beatrice de Graaf in haar column onlangs hoopvol dat je mensen niet eindeloos alles kunt wijsmaken. ‘Het verschil tussen de hyperbolische beloftes en de alledaagse werkelijkheid wordt dan eenvoudigweg te groot.’3)

Terugkeren van een eerder ingeslagen pad is zonder meer een legitieme politieke keuze, net als het verkennen van nieuwe wegen. Maar ook als de terugweg als de beste weg vooruit wordt gezien, is scherp inzicht in hoe daar te komen essentieel.

En daar zag ik ineens de beelden voor me van misschien wel het meest iconische onderdeel van het tv-programma Te land, ter zee en in de lucht: het achteruitrijden. RTL4, dat het amusementsprogramma – o ironie der geschiedenis – kort na de start van het kabinet-Schoof opnieuw op de buis bracht, prijst dit onderdeel aan als het moeilijkste van allemaal. ‘De baan zit vol scherpe bochten. Alleen de allerbeste achteruitrijders maken kans op de overwinning. Het draait om controle, lef en timing.’

Lef had het kabinet-Schoof wel, maar controle en timing waren kwaliteiten waaraan het dit kabinet volledig aan ontbrak. 

Columns


1) Simon Otjes en Jeroen Vervliet (red.), Het experiment-Schoof. Beschouwingen over het kabinet-Schoof 2024-2026, Montesquieu Reeks deel 26 (Den Haag 2026). 

2) Men leze hierover in de bijdragen van respectievelijk Anne Bos, Hans Vollaard en Gohar Karapetian e.a.

3) Beatrice de Graaf, ‘Het pantheon van de gevallen engelen’, NRC, 16 april 2026.