De leden zijn de partij

Uit het jaarlijks overzicht van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) blijkt dat bijna alle in het parlement vertegenwoordigde partijen het afgelopen verkiezingsjaar meer leden hebben mogen verwelkomen. In 2025 is bijgevolg het totale ledental van politieke partijen flink toegenomen.

Goed nieuws, zou je zeggen! Al decennialang zijn er immers zorgen over de algemene trend van afnemende ledentallen, die de legitimiteit van politieke partijen aantast. Toch blijkt forse groei ook vragen op te roepen. Waar komen die leden zo snel vandaan? Hoe betrouwbaar zijn deze cijfers, als politieke partijen ze zelf opgeven? Wie controleert ze?

Het DNPP verzamelt de ledentallen van politieke partijen al bijna 45 jaar – een initiatief van voormalig directeur Ruud Koole. Het is een waardevolle traditie, die desondanks ook uitnodigt tot enige (zelf)reflectie.

Wat ooit begon als een verzameling van empirische data voor wetenschappelijk onderzoek, is inmiddels ook een publicitair instrument. Partijen kunnen hun ledenaantallen natuurlijk prima zelf naar buiten brengen – maar als een universitair kenniscentrum als het DNPP de cijfers publiceert, in één overzicht met alle andere partijen, krijgt het toch een ander stempel. Het zorgt niet alleen voor meer zichtbaarheid, het versterkt ook de geloofwaardigheid.

Cruciale aanname achter een dergelijke gegevensverzameling is dat politieke partijen bereid zijn om betrouwbare cijfers aan te leveren – en daar ook het belang van inzien. Een verduidelijking vragen kan, maar échte controle ontbreekt. Dat geldt voor het DNPP, maar net zo goed voor journalisten die gegevens opvragen.

Sinds 2009 zijn er ook ‘subsidiabele ledentallen’ beschikbaar. Deze cijfers komen voort uit de invoering van een subsidieregeling voor politieke partijen, in 2005, waarin het ledental meeweegt. Voor subsidietoekenning tellen alleen die leden mee die minimaal twaalf euro contributie betalen en vergader- en stemrecht hebben. Elk jaar geven partijen aan het ministerie van BZK het aantal ‘subsidiabele leden’ op.

Dit ledental vormt een extra referentiepunt, maar geeft niet per se een compleet beeld van het partijledenbestand. Ongeacht de subsidiecriteria staat het partijen namelijk vrij om zelf te bepalen wie ze als lid beschouwen.1) Het CDA kent al jaren het familielidmaatschap. De PvdA bedacht voor de lijsttrekkersverkiezing in 2017 het ‘flitslidmaatschap’: voor twee euro konden mensen even lid worden om mee te stemmen. De PvdD introduceerde juist het lidmaatschap voor het leven – de zorg voor onze planeet is een missie larger than life. Het lidmaatschap dat een partij aanbiedt, weerspiegelt haar identiteit.

Belangrijk verschil met de DNPP-cijfers, is dat de subsidiabele ledentallen wél een controle ondergaan. Partijen moeten een financieel jaarverslag inleveren, inclusief subsidiabele leden, gecontroleerd door een onafhankelijke accountant.2) Het ministerie toetst of aan de eisen is voldaan, geholpen door een onafhankelijke adviescommissie en een review van de Rijksaccountant. Laatstgenoemde controleert periodiek of gegevens juist zijn aangeleverd en het accountantsonderzoek correct is uitgevoerd. Partijen met onduidelijkheden liggen het jaar daarop opnieuw onder de loep. En dat gebeurt nogal eens, blijkt uit de jaarlijkse rapportages aan de Kamer.

Volstaat dit controleproces? Ook dat verdient reflectie. Hoe groter het gewicht van ledentallen in subsidieverdeling of regelgeving, hoe sterker de prikkel om de cijfers mooier voor te stellen dan ze zijn. Anders gezegd: als belangen groter worden, moeten verantwoording en controle daarop worden afgestemd. Het is niet zonder betekenis dat het ministerie in 2025 een nieuw accountantsprotocol opstelde dat voorziet in een detailcontrole op de ledenadministratie en contributiebetaling. Vanaf dit jaar volgen alle partijen verplicht dit protocol.

Tegelijkertijd: laten we bij alle kritische vragen de waarde van het systematisch verzamelen van de partijledentallen niet uit het oog verliezen. Deze cijfers illustreren hoe partijen mensen aan zich weten te verbinden. Ze bieden een welkome nuance bij verhalen waarin het succes van partijen louter wordt afgemeten aan de laatste verkiezingsuitslag. Als we vinden dat partijlidmaatschap een belangrijke indicator is voor democratische betrokkenheid, dan is het cruciaal om de ontwikkeling van ledentallen te volgen.

In dit licht moeten we ledengroei ook niet al te snel te wantrouwen. Partijen investeren massaal in wervingscampagnes; lid worden gaat eenvoudig en is aantrekkelijk gemaakt. Er zijn ook verschillende goede redenen om bij een partij aan te sluiten, waaronder sociaalpsychologische: de ontmoeting met gelijkgestemde mensen, de gezelligheid, ‘erbij’ willen horen. Snelle groei is bovendien geen nieuw fenomeen: Hans Wiegel trok in 1971 in korte tijd tienduizenden nieuwe leden naar de VVD.3)

En wat dit jaar toch vooral beklijft: voor het eerst in veertig (!) jaar zijn er weer ruim 440.000 mensen lid van politieke partijen. Bij alle sombere berichtgeving over alsmaar dalend politiek vertrouwen, is dat toch verheugend nieuws.

Columns


1) Zie voor het persbericht www.dnpp.nl. Het DNPP publiceert op zijn website ook de overzichten van subsidiabele leden en het eventuele verschil met de eerder opgegeven ledentallen aan het DNPP.

2) Zie KamerstukkenII 2024-2025, 32.634, nr. 19, Kamerbrief minister van BZK inzake accountantsprotocol Wet financiering politieke partijen (19 maart 2025).

3) ‘VVD ledentallen per jaar (1948-)’, website DNPP