Burgemeester van Harderwijk, die in 1849 tot de groep nieuwbenoemde Eerste Kamerleden behoorde, hoewel hij in zijn district als tweede op de voordracht was geplaatst. Vervulde, net als eerder zijn vader, functies in het noordelijk deel van de Veluwe. Eén van de rijkste inwoners van Gelderland. Beëindigde in 1852 voortijdig zijn lidmaatschap van de Senaat.