In Friesland populaire liberale politicus en bestuurder, die het als eenvoudige man tot staatsraad bracht. Had als bijnaam daarom 'de staatsraad-pottenbakker'. Werd in 1850 tot Statenlid en gedeputeerde gekozen en kwam in 1859 bij de uitbreiding van het zeteltal voor het district Dokkum in de Kamer. Bedankte toen als gedeputeerde. Nam die functie in 1863 echter weer op, omdat hij het reizen naar Den Haag te bezwaarlijk vond. In 1864 werd hij tevens staatsraad in buitengewone dienst. Bleef tot 1898 Statenlid. Kenner van Friese aangelegenheden, in bijzonder van de zeedijken. Stoere, oprechte 'Stânfries'.