Haagse jurist, die in Leiden afstudeerde in zowel de rechtsgeleerdheid als de wijsbegeerte. Werd daarna, net als zijn vader, advocaat en vervulde later rechterlijke functies. Maakte onder koning Lodewijk deel uit van een staatscommissie over financiële wetten en was tijdens de inlijving lid van het Hof van Cassatie. Na er eerder enige tijd als ambtenaar te hebben gewerkt, werd hij in 1826 lid van de Raad van State. In die hoedanigheid verdedigde hij in het parlement soms (mede) wetsvoorstellen op juridisch gebied. Vrijmetselaar en sinds 1830 jonkheer.