Je hebt breed en breed

9 juli 2021, column Bert van den Braak

Als het over de huidige formatie gaat, duikt geregeld het begrip 'brede coalitie' op. Het is denkbaar dat liefst zes partijen zullen deelnemen aan een coalitie. In het laatste kwart van de vorige eeuw was waarschijnlijk van een nationaal kabinet gesproken; in 1981 was toenmalig VVD-leider Hans Wiegel zelfs een pleitbezorger daarvan. Toch is het ene 'breed' niet het andere. Zelfs met zes partijen is er tegenwoordig weinig nationaals aan het kabinet.

Vorige week trok medecolumnist Van den Berg een vergelijking met de formatie van 19631). In dat jaar hadden de partijen in het centrum (KVP, PvdA, VVD, ARP en CHU) samen 135 van de 150 Tweede Kamerzetels en 72 van de 75 Eerste Kamerzetels. Breder kon bijna niet. Op basis van door oud-KVP-leider Carl Romme verzamelde 'bouwstenen' moest een formateur een regeringsprogramma opstellen. Dat liep uit op een fiasco, omdat Toxopeus hem dwong te kiezen tussen VVD en PvdA. Er kwam alsnog een 'smal' centrumrechts kabinet (92 Tweede Kamer- en 47 Eerste Kamerzetels).

Als de huidige middenpartijen (inclusief D66, GroenLinks en ChristenUnie) een kabinet zouden vormen, komen ze in Tweede respectievelijk Eerste Kamer tot 93 van de 150 en 46 van de 75 zetels. Ter vergelijking: dat zijn er evenveel als CDA, VVD en LPF bij het kabinet-Balkenende I hadden en is er één meer dan de partijen die het kabinet-Kok I steunden. Het kabinet-Van Agt II (1981-1982) kon in principe zelfs op 109 van de 150 Tweede Kamerzetels en 60 van de 75 Eerste Kamerzetels rekenen. Niettemin wordt geen van die kabinetten als een 'breed' samengesteld kabinet beschouwd. De 109 zetels voor Van Agt II waren allesbehalve een garantie voor krachtdadig en stabiel beleid. Integendeel: het kabinet kwam nooit goed van start en viel na een half jaar.

Ook de vergelijking van 'breed' nu en 'breed' in de jaren vijftig (de kabinetten-Drees) gaat geheel mank. Zowel in 1951 als in 1956 lag er een programma waar vijf partijen mee instemden. In 1951 deed, naast de vier coalitiepartijen (KVP, PvdA, CHU en VVD), ook de ARP dat. Die partij haakte echter af uit onvrede over de postenverdeling. In 1956 leek het er tot het laatste moment in de langdurige formatie op, dat ook de VVD een minister zou leveren. Omdat VVD'er Henk Korthals de post Verkeer en Waterstaat van te geringe betekenis vond voor het algemene regeringsbeleid, trok hij zich alsnog terug.

De oppositie (buiten de 'zes') zou, in al haar verdeeldheid, in Tweede respectievelijk Eerste Kamer 57 en 29 zetels tellen; zeg maar ruim een derde van de zetels. Dat is een wezenlijk verschil met de jaren vijftig toen het om tien procent ging en ook dat heeft betekenis. In de jaren vijftig kwam het geregeld voor dat één van de coalitiepartijen (met name ARP, CHU en VVD) zich aansloot bij de oppositie. Zo stemden regeringsfracties VVD en CHU tijdens Drees II in beide Kamers tegen de wet die de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie invoerde en was de VVD tegen de ontwerp-Wet toezicht kredietwezen. Tijdens Drees III stemde regeringspartij ARP tegen de Noodwet kinderbijslag kleine zelfstandigen, waren ARP en CHU tegen verruiming van de Loterijwet en was de PvdA tegen een wetsvoorstel over regeling van de grondprijzen in de landbouw. 'Uit de boot vallen' was nauwelijks een probleem en dat zelfs in tweeërlei opzicht: de parlementaire steun was zo groot dat aanneming van een wetsvoorstel nooit in gevaar kwam2), en ondanks (soms principiële) bezwaren was aanneming voor de tegenstemmers geen reden om de regeringssamenwerking op te zeggen.

Als nu in een 'breed' middenkabinet wetgeving tegen de zin van één of enkele deelnemers tot stand komt, is de kans op ongelukken wel reëel. Stel dat GroenLinks, PvdA en CU (samen 22 zetels) tegen een voorstel zijn, maar het kabinet verkrijgt een meerderheid dankzij bijvoorbeeld JA21 en/of SGP, dan zal dat direct tot spanningen in de coalitie leiden. Het 'uitvallen' van D66 (24 zetels) kan hetzelfde effect hebben. Met 93 zetels lijkt er een brede coalitie te ontstaan, maar daar past de relativering bij dat 'breed' onvergelijkbaar is met 'breed' onder Drees of zoals dat in 1963 was beoogd.

Voor een enigszins daadkrachtig kabinet lijkt vorming van een breed middenkabinet onvermijdelijk, al zullen er dan wel minimaal afspraken moeten komen over 'vrije kwesties'; kwesties waarover na een tegenstem door een coalitiefractie geen crisis hoeft te ontstaan. Dat zal nog ingewikkeld genoeg zijn. Rekenen op wisselende meerderheden is echter evenzeer een tamelijk onzeker avontuur.




Andere recente columns