Wet op de Politieke Partijen

De Wet op de Politieke Partijen (WPP) is een aangekondigd wetsvoorstel van het kabinet Rutte III waarbij bestaande en nieuwe regels over politieke partijen gebundeld worden. Het doel van de WPP is om de onafhankelijke positie van politieke partijen verder te versterken en een samenhangende regeling voor hen te bieden. Bij het stellen van deze regels beoogt de WPP fundamentele rechten te waarborgen, zoals de vrijheid van vereniging en de vrije uitoefening van het actieve en het passieve kiesrecht.

Op 26 juni 2019 presenteerde minister Kajsa Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een pakket voorstellen om het kiesstelsel te moderniseren, waaronder het voorstel voor de WPP. Zij nam hiermee een aanbeveling over van de Staatscommissie parlementair stelsel. De bedoeling van de minister is om het voorstel voor de WPP uiterlijk eind 2020 in consultatie te brengen.

Vooruitlopend op een WPP is het de bedoeling de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) aan te passen waarbij vooral de giften aan politieke partijen en hun neveninstellingen transparanter moeten worden. De Wfpp zal uiteindelijk worden opgenomen in de WPP. De inwerkingtreding van de definitieve WPP wordt voorzien op 1 januari 2022.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Contouren van het mogelijke WPP-wetsvoorstel

In het mogelijke WPP-wetsvoorstel worden regels over verschillende onderwerpen vastgelegd. Een groot deel hiervan bestaat uit het bundelen van al bestaande regels uit andere relevante wetgeving zoals de Kieswet en de hele Wfpp. Hiernaast wil het kabinet verdere eisen stellen aan de organisatie en inrichting van politieke partijen.

Deze eisen zullen onder meer betrekking hebben op digitale campagnevoering en microtargeting. Digitale beïnvloeding vanuit het buitenland, zoals bijvoorbeeld door verspreiding van desinformatie, levert nieuwe vraagstukken op. Dit geldt ook voor het via financiële middelen verwerven van invloed binnen politieke, maatschappelijke en religieuze organisaties. Het kabinet wil daarom transparantie voorschrijven wat betreft deze zaken maar ook de onafhankelijkheid van politieke partijen niet in het geding brengen.

Daarnaast wordt de instelling van een aparte, onafhankelijke toezichthouder overwogen. Dit omdat het takenpakket van de toezichthouder relatief uitgebreid zou zijn, met ook politiek gevoelige onderwerpen als de regulering van verkiezingcampagnes en microtargeting. Het kabinet wil echter goed de voor- en nadelen van dit onderdeel tegen elkaar afzetten.

Ten slotte wil het kabinet een afzonderlijke wettelijke basis voor het partijverbod. Nu valt dit onder de algemene regeling voor het verbieden van rechtspersonen (artikel 2:20 BW) maar er is behoefte aan een op politieke partijen gerichte verbodsgrond. In het uiteindelijke wetsvoorstel voor de WPP zal het kabinet dieper ingaan op de exacte definiëring van het partijverbod en de relevante adviezen van de staatscommissie over dit onderwerp daarbij betrekken.

2.

Historische context

Traditiegetrouw kennen politieke partijen binnen de Nederlandse democratie een grote mate van onafhankelijkheid. De overheid heeft zich in vergelijking met andere landen altijd relatief terughoudend opgesteld over dit onderwerp.

Toen de traditionele, geconsolideerde democratieën zoals Nederland hun grondwetten opstelden in de negentiende eeuw, hadden politieke partijen nog niet zo'n dominante rol in het politieke proces. Parlementariërs werden in die tijd verwacht geheel onafhankelijk tegenover de kiezer te staan en volkomen zelfstandig hun positie in het debat te bepalen. Het begrip 'politieke partij' kwam (en komt nog steeds) niet voor in de Nederlandse Grondwet. Een specifieke regeling voor politieke partijen lag dan ook niet voor de hand.

In jongere democratieën zijn politieke partijen vaak wel direct of indirect opgenomen in de grondwet. In Oostenrijk gebeurde dat in 1945, in Italië in 1947 en twee jaar later trad de Grundgesetz in de Bondsrepubliek Duitsland in werking. Sindsdien zijn politieke partijen in Europa steeds meer gereguleerd geworden: de wens tot een wettelijke basis groeide in de jaren 60, door onder meer de in toenemende mate geïntroduceerde overheidssubsidie voor partijen.