Tweede Kamer en kabinetsformatie

Tot in het begin van de 21e eeuw had de Tweede Kamer minimale invloed op de kabinetsformatie. De Koningin nodigde na de verkiezingen wel de fractievoorzitters uit zodat die hun visie op de politieke situatie konden geven. Maar uiteindelijk verstrekte zij - nadat zij zich had laten adviseren door haar vaste adviseurs, de voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer en de vicepresident van de Raad van State aan een (in)formateur een (in)formatieopdracht. Omdat een aantal partijen dit uit democratisch oogpunt geen legitieme procedure vonden begon in de jaren zestig van de vorige eeuw een discussie om de Tweede Kamer meer invloed te geven.

Deze discussie mondde uiteindelijk uit in een wijziging van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer in 2012 door toevoeging van artikel 139a. De rol van de Koning bij de kabinetsformatie was uitgespeeld en de Tweede Kamer nam het voortouw over.

 

Letterlijke tekst artikel 139a Reglement van Orde Tweede Kamer

  • 1. 
    Onverwijld na de installatie van een nieuw verkozen Tweede Kamer, maar uiterlijk een week na de installatie, beraadslaagt de Kamer in plenaire zitting over de verkiezingsuitslag. Het doel van de beraadslaging is een of meer informateurs onderscheidenlijk formateurs te benoemen en de door hen uit te voeren opdracht vast te stellen. Indien dat doel niet in de desbetreffende vergadering kan worden bereikt, besluit de Kamer daarover in een volgende vergadering, zo spoedig als dat mogelijk is.
  • 2. 
    Indien een informatieopdracht wordt afgerond, formuleert de Kamer in beginsel binnen een week na de dag van afronding een formatieopdracht, en wijst zij voor de uitvoering daarvan een of meer formateurs aan.
  • 3. 
    Indien de aangewezen informateurs of formateurs hun opdracht teruggeven, formuleert de Kamer in beginsel binnen een week na de dag van teruggave een nieuwe opdracht, en wijst zij voor de uitvoering daarvan een of meer informateurs onderscheidenlijk formateurs aan.
  • 4. 
    Na een tussentijdse val van het kabinet kan de Kamer beraadslagen over de wenselijkheid of richting van een nieuwe kabinetsformatie. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Historische ontwikkeling

Al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw wordt aangestuurd op een andere opzet van de kabinetsformatie. In 1970 dienden Ed van Thijn (PvdA), Anneke Goudsmit (D66) en Jacques Aarden (PPR) een initiatiefwetsvoorstel in over het door de Tweede Kamer laten kiezen van de kabinetsformateur. Het betrof een voorstel tot Grondwetsherziening in eerste lezing. Het voorstel werd door de indieners ingetrokken, nadat het kernartikel (artikel II) van het voorstel was verworpen.

Motie-Kolfschoten (1971)

Tijdens dit Kamerdebat over dit voorstel werd de motie-Kolfschoten ingediend, waardoor de mogelijkheid moest worden geopend om direct na de verkiezingen de Tweede Kamer te laten debatteren over voordracht aan de koningin van een formateur. De Kamer nam die motie op 2 maart 1971 met ruime meerderheid aan. Opzet was het formatieproces in alle openbaarheid te laten beginnen. Anders dan voorheen moest nu met de formatie worden gewacht tot de installatie van de nieuwe Kamer. Na het debat moest de Koning(in) op basis van de uitkomst van het debat een formateur aanwijzen. Mocht de poging van de door de Kamer voorgedragen formateur mislukken, dan diende een tweede debat plaats te vinden en moest een nieuwe formateur worden voorgedragen. Als beide pogingen mislukten, kreeg het staatshoofd weer het voortouw.

De motie-Kolfschoten leidde op 12 mei 1971 tot een Kamerdebat over de verkiezingsuitslag en de komende formatie. D66-fractievoorzitter Hans van Mierlo diende een motie in om PvdA-fractievoorzitter Joop den Uyl, voorzitter van de grootste Kamerfractie, tot formateur te benoemen. Tijdens het debat bleek dat, met uitzondering van de fracties van PvdA, D66 en PPR, alle fracties vonden dat de politieke situatie te complex was om direct een formateur te benoemen. Zij wilden dat eerst een informateur de mogelijkheden voor kabinetsvorming in kaart zouden brengen.

De fracties van KVP, ARP, CHU, VVD en DS'70, die in principe bereid waren samen te gaan werken, vonden dat er nog te veel onzekerheden waren om direct een formateur aan te wijzen. Zij zagen gezien de politieke verhoudingen (de drie links fracties hadden samen 52 zetels) geen reden om steun te geven aan de verkiezing van Den Uyl tot formateur.

Aan het einde van het debat werd het voorstel-Van Mierlo met 84 tegen 51 stemmen verworpen. Hierna ving de koningin aan met haar reguliere consultatie van de fractievoorzitters.

Voorstel Staatscommissie-Biesheuvel (1984)

De in 1982 ingestelde Staatscommissie-Biesheuvel die adviseerde over vergroting van de kiezersinvloed op de beleidsvorming betrok ook de kabinetsformatie in haar advies. De commissie kwam met een uitgewerkt voorstel voor een nieuwe procedure voor kabinetsformatie. Die procedure, die wettelijk zou moeten worden vastgelegd, bevatte de volgende stappen:

  • De Tweede Kamer draagt binnen een week na de verkiezingen aan de koningin een formateur voor
  • Als de formateur niet slaagt, moet binnen een week een nieuwe formateur worden voorgedragen
  • De formateur legt verantwoording af aan de Tweede Kamer en brengt verslag uit over zijn werkzaamheden

Het advies kreeg geen verder vervolg.

Voorstel Van der Ham/Duyvendak (2006)

In september 2006 dienden Boris van der Ham (D66) en Wijnand Duyvendak (GroenLinks) een voorstel in om in het reglement van orde van de Tweede Kamer op te nemen dat direct na de verkiezingen een Kamerdebat zou worden gehouden om de kabinetsformateur aan te wijzen.

Tijdens een debat in 2010 bleek hiervoor geen Kamermeerderheid te zijn, maar de Kamer stemde wel in met een compromis. De verdedigers van het voorstel wijzigden hun voorstel waardoor wel de mogelijkheid van een Kamerdebat behouden bleef.

Nieuw was dat de Kamervoorzitter een centrale rol kreeg toebedeeld. De Kamervoorzitter kan voortaan direct na de verkiezingen overleggen met de fractievoorzitters over de wenselijkheid van een debat over de verkiezingsuitslag en de formatie. Bij de formatie van 2010 werd van deze mogelijkheid evenwel geen gebruikgemaakt.

Het nieuwe formeren (2012)

In mei 2011 kwamen de D66-leden Gerard Schouw en Boris van der Ham met een (nieuw) voorstel tot wijziging van het reglement van orde. Dat behelsde opnieuw het houden van een debat direct na de verkiezingen over het formuleren van de (in)formatieopdracht en het aanwijzen van een (in)formateur. Dit leidde in 2012 tot aanpassing van het reglement van orde (nieuw artikel 139a). De wijziging werd op 27 maart 2012 aangenomen met steun van PvdA, PVV, D66, SP, GroenLinks, PvdD en het lid Brinkman. De andere partijen - een minderheid - vonden dat de Koning(in) de (in)formateur mag aanwijzen omdat hij of zij nog altijd onderdeel is van de regering. Hij of zij is een stabiele factor in het formatieproces.

Na de verkiezingen van 12 september 2012 is de nieuwe procedure, met een regisserende rol van de Tweede Kamer, voor het eerst toegepast. De koningin werd tussentijds op de hoogte gehouden van de voortgang. Dat leidde snel tot het kabinet-Rutte I. Ook na de Tweede Verkiezingen in 2017 werd de nieuwe procedure opgepakt.

meer over

beschouwing