De economie en de arbeidsmarkt verzwakken na de twee oliecrises in de jaren '70, met oplopende begrotingstekorten en uitkeringsafhankelijkheid als gevolg. In 1981/1982 is sprake van een crisis. Ondanks economisch herstel blijft daarna sprake van grote problemen op de arbeidsmarkt. Daaraan komt pas in de loop van de jaren '90 een eind. In 2002/2003 gaat het weer slecht met de economie, maar deze herstelt zich dit keer sneller.
Van 1974 tot en met 1998 is ieder jaar sprake van een EMU-tekort. De kabinetten-Lubbers en -Kok die het in hun eerste periode goed doen op dit gebied, laten in hun tweede periode de teugels vieren. Al met al duurt het decennia voordat eind jaren '90 de overheidsfinanciën gesaneerd zijn. Daarna treedt in 2002/2003 weer een snelle verslechtering in die nieuwe bezuinigingen noodzakelijk maakt.
De meest opvallende ontwikkeling op lange termijn is dat de arbeidsparticipatie van 20-64-jarige vrouwen na 1974 jaarlijks stijgt, geen enkel jaar en geen enkel kabinet uitgesloten. De participatie van vrouwen (weliswaar voor een groot deel in deeltijd) groeit van 31,8% in 1974 naar 64,8% in 2008.
Volgens het Centraal Planbureau is de gestegen arbeidsparticipatie van vrouwen verantwoordelijk voor ongeveer een kwart van de economische groei sinds 1990. De arbeidsparticipatie van mannen daalt van 94% in 1971 naar 78,5% in 1993, om in het nieuwe millennium weer ruim boven de 80% uit te komen.
Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen stijgt van iets boven de 300 duizend begin jaren '70 naar 975 duizend in 2002. Na 2003 is een daling ingezet, vooral door een stringenter beleid en de omvorming van de WAO in de WIA.
Jaren '70 tot en met kabinet-Van Agt II
Niet alleen in West-Duitsland is sprake van een 'Wirtschaftswunder'. In de jaren '50 (gemiddeld 4,2% economische groei) en '60 (gemiddeld 5,5% economische groei) van de twintigste eeuw lijken de bomen ook in Nederland tot in de hemel te groeien. Nederland bouwt een verzorgingsstaat. De bruto collectieve uitgaven stijgen van minder dan 30% in 1950 tot boven de 45% vanaf 1971.
Vanaf die tijd is het feest over. De wederopbouw en daarmee het economisch inhaaleffect ten opzichte van de Verenigde Staten lopen op hun eind. Het Bretton Woods stelsel valt begin jaren '70. De hoge Amerikaanse inflatie leidt ook in Europa tot geldontwaarding, waaronder in Nederland. Het definitieve keerpunt is de eerste oliecrisis in 1973.
-
Kabinet-Biesheuvel I en II (1971-1973)
De hoge inflatie ten tijde van het kabinet-Biesheuvel leidt in 1972 tot een kabinetscrisis. De DS'70-bewindslieden willen de inflatie bestrijden en minder bezuinigen. Ze stappen daarom uit het kabinet. Verder gaat het op het eerste gezicht goed met de economie, maar de stijging van de prijzen, lonen en collectieve lasten tast de arbeidsmarkt aan. De economie vertoont al tekenen van ontsporing voordat de oliecrisis van 1973, kort na de regeerperiode van het kabinet, een zware wereldwijde economische dreun uitdeelt.
-
Kabinet-Den Uyl (1973-1977)
Het kabinet-Den Uyl krijgt te maken met de grootste economische schok na de Tweede Wereldoorlog, in de vorm van de eerste oliecrisis in 1973. In combinatie met een loon-prijsspiraal en een uitdijende verzorgingsstaat geeft de oliecrisis de Nederlandse economie en de overheidsfinanciën een flinke zet op een lange glijbaan naar beneden. Het kabinet-Den Uyl onderschat de effecten en verhoogt de uitgaven en de lasten alsof er niets is veranderd. De sociale zekerheid wordt meer en meer onbetaalbaar, maar de aardgasbaten verbloemen dat nog enigszins.
-
Kabinet-Van Agt I (1977-1981)
Het kabinet-Van Agt I slaagt er niet in de economische naweeën van zowel de oliecrisis van 1973 als van het beleid van het kabinet-Den Uyl het hoofd te bieden. In 1979 komt daar een tweede oliecrisis bovenop. Als vervolgens minister Andriessen (Financiën) in 1980 bakzeil haalt met zijn verdere bezuinigingsplannen, ontwikkelt het kabinet zich qua economische prestaties tot het slechtst presterende van de langer zittende kabinetten in de periode 1971-2007.
Opeenvolgende kabinetten blijven de collectieve uitgaven verhogen (van 45,0% in 1971 tot 59,8% in 1982). Dit leidt zowel tot steeds grotere begrotingstekorten als tot hoge collectieve lasten. De hoge lastendruk en de verslechterde wereldeconomie zijn uiterst schadelijk voor de werkgelegenheid. De werkloosheid stijgt van 0,8% in 1971 naar 7,9% in 1982.
Het aantal werkloosheids- en bijstandsuitkeringen groeit in de periode 1971-1982 met een factor 4,3, het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met een factor 2,3. De snelle toename van het beroep op de sociale zekerheid is een belangrijke oorzaak van de begrotingsproblemen. De resulterende hoge belasting- en premiedruk belemmert herstel op de arbeidsmarkt.
-
Kabinet-Van Agt II (1981-1982)
De economie verkeert in een crisis tijdens de regeerperiode van het kabinet-Van Agt II. Er heerst een recessie en de werkloosheid explodeert. Gezien de extreem ongunstige economische omstandigheden en de korte zittingsduur is het moeilijk het kabinet-Van Agt II te beoordelen. Aan de andere kant kan gezegd worden dat de snelle val van het kabinet voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt door het gebrek aan draagvlak bij met name de PvdA om noodzakelijke economische hervormingen door te voeren.
Malaise en herstel in de jaren '80
-
Kabinet-Van Agt III (1982)
In 1982 zit Nederland in de diepste recessie sinds de jaren '50. Ondanks de explosief toenemende werkloosheid stijgen de contractlonen met 7,3%. Het EMU-tekort loopt op naar 6,2% BBP. Het kabinet-Van Agt III is een overgangskabinet, maar besluit nog wel tot extra bezuinigingen (onder meer in de welzijnssector) van bijna f 13 miljard. Niettemin blijven de collectieve uitgaven stijgen. De WAO- en WW-uitkeringen worden per 1 juli 1982 bevroren en de salarissen van ambtenaren en trendvolgers per 1 januari 1983. Aangedrongen wordt op vrijwillige loonmatiging in het bedrijfsleven. Alleen 'echte minima' worden ontzien bij de teruggang in koopkracht.
Begin jaren '80 is de zaak volkomen uit de hand gelopen. Het kabinet-Lubbers I neemt de taak op zich om in te grijpen.
Als De Nederlandsche Bank (DNB) rond deze tijd nalaat een renteverhoging van de West-Duitse Bundesbank te volgen, schaadt dit het vertrouwen in de gulden. Het gevolg is dat Nederland in de daaropvolgende jaren juist last heeft van een hogere rente dan nodig was geweest, in verband met de risico-premie die beleggers gaan incalculeren. DNB trekt hier lering uit en volgt nadien het beleid van de Bundesbank. De facto vormt Nederland een monetaire unie met de Bondsrepubliek.
-
Kabinet-Lubbers I (1982-1986)
Het kabinet-Lubbers I staat bekend om zijn 'no nonsense' beleid. De nieuwe premier slaagt waarin zijn voorganger Van Agt heeft gefaald. De ontsporing van de overheidsfinanciën wordt tot 1985 succesvol gekeerd. Een aantrekkende wereldeconomie en loonmatiging na de ondertekening van het Akkoord van Wassenaar zorgen voor economisch herstel uit een diepe recessie.
Halverwege de jaren '80 is de economie weer aardig op gang gekomen. Intussen heeft de RSV-enquête de politici geleerd waar al te vergaande bemoeienis met afzonderlijke bedrijven toe kan leiden. Het CDA wint de verkiezingen van 1986 met de leus 'Laat Lubbers zijn karwei afmaken'. Hij slaagt daar echter slecht in. Sterker nog, de daling van het EMU-tekort is al in 1985 tot stilstand gekomen.
-
Kabinet-Lubbers II (1986-1989)
Het kabinet-Lubbers II heeft de economische wind flink mee, maar heeft de collectieve uitgaven en de collectieve lasten gedurende de eerste jaren slecht onder controle. Het EMU-tekort stijgt en is in 1989 hoger dan in 1982, als het eerste kabinet-Lubbers aantreedt. De economie blijft gekenmerkt door grote uitkeringsafhankelijkheid, inactiviteit en verborgen werkloosheid. Ondanks de hoge economische groei slaagt het kabinet er niet in hier verandering in te brengen. Qua economische daadkracht is het kabinet-Lubbers II geen schim van het voorgaande kabinet.
In 1987 komt de Europese Akte tot stand. De EG-landen spreken hierin af eind 1992 één interne markt in de EG gerealiseerd te hebben. Het 1992-programma creëert nieuw Europees elan na de 'eurosclerose' medio jaren '80.
Chaos onder het kabinet-Lubbers III
Tijdens de regeerperiode van het kabinet-Lubbers III wordt duidelijk dat Nederland nog steeds een groot arbeidsmarktprobleem heeft. De werkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid blijven hoog en stijgen zelfs tegen het eind van de kabinetsperiode. Er is ook sprake van een hoge verborgen werkloosheid, zoals in de WAO, onder oudere werknemers en bij niet-uitkeringsgerechtigden zonder baan.
-
Kabinet-Lubbers III (1989-1994)
Het kabinet-Lubbers III kan aanvankelijk profiteren van een hoge economische groei. In de loop van de kabinetsperiode zakt deze in, maar in historisch perspectief is de groei over de hele kabinetsperiode nog steeds gemiddeld. De uitkeringsafhankelijkheid loopt weer op en het kabinet moet tussentijds bezuinigen. Het aantal arbeidsongeschikten stijgt tot boven de 900 duizend. Plannen om in te grijpen in de WAO leiden tot een crisis in de PvdA. Het financiële en sociaal-economische beleid van de coalitiepartners maakt een chaotische indruk. Mede hierdoor leiden PvdA en CDA bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 enorme verkiezingsnederlagen.
Begin jaren '90 komt het Verdrag van Maastricht tot stand. Om zich te kwalificeren voor invoerig van een gezamenlijke Europese munt moet Nederland o.a. het begrotingstekort en de staatsschuld verlagen. Dit zal Europese overheden dwingen tot een stringenter begrotingsbeleid.
Gevoel van voorspoed onder Paars
Onder de kabinetten-Kok I en -Kok II doet de economie het onverwacht goed. Aanvankelijk heeft het economisch beleid veel elan, maar gaandeweg zijn de paarse politici zozeer met zichzelf bezig dat zij zich niet alleen politiek laten verrassen door Pim Fortuyn en Jan Peter Balkenende, maar ook door een snelle economische verslechtering. Een patstelling binnen de coalitie blokkeert hervorming van de WAO en het zorgstelsel. Vanaf 2002 wordt in Nederland betaald met de euro, nadat deze in 1999 al giraal is ingevoerd.
-
Kabinet-Kok I (1994-1998)
Het eerste paarse kabinet is in economisch opzicht een groot succes. Geholpen door een hoge economische groei en de Zalmnorm daalt het EMU-tekort en stromen na een tijdje de inkomstenmeevallers binnen, waardoor de lasten omlaag kunnen. Minister Wijers (Economische Zaken) dereguleert de economie en verscherpt het mededingingstoezicht. De werkgelegenheid groeit sterk, waardoor het kabinetsmotto 'werk, werk en nog eens werk' in de praktijk wordt gebracht. Er lijkt zich een nieuw economisch wonder te voltrekken. Zelfs in het buitenland bewondert men het 'poldermodel'. Zo is er zelfs weer waardering voor de overlegeconomie waar de coalitiepartners VVD en D66 eigenlijk van af wilden.
-
Kabinet-Kok II (1998-2002)
De eerste jaren onder het kabinet-Kok II draait de economie op volle toeren. De coalitiepartners richten zich op de verdeling van de buit. Het hervormen van de economie raakt steeds meer op de achtergrond. Volgens het regeerakkoord moeten de inkomstenmeevallers voor een groot deel aan lastenverlichting worden besteed. PvdA en D66 willen echter meer 'investeren'. Uiteindelijk komt de coalitie tot een oplossing waarbij nieuwe uitgaven binnen de Zalmnorm kunnen worden gedaan. Er wordt wat minder geld besteed aan lastenverlichting en meer aan aflossing van de staatsschuld. In de loop van de kabinetsperiode stort de economie in, maar dit wordt onvoldoende onderkend.
Kabinetten-Balkenende I t/m III
In 2002/2003 heeft Nederland te maken met de laagste economische groei sinds de crisis van 1981/1982. Vanwege de krappe arbeidsmarkt en de op het oog goede staat van de overheidsfinanciën aan het begin van het nieuwe millennium, duurt het een tijdje voordat er politici zijn die dit onderkennen.
-
Kabinet-Balkenende I (2002-2003)
De economische groei komt in de korte regeerperiode van het kabinet-Balkenende I vrijwel tot stilstand. Dit beperkt de budgettaire ruimte voor extra uitgaven aan zorg en onderwijs. Het kabinet neemt zich voor het zorgstelsel en de WAO te hervormen en de spaarloonregeling te versoberen. Binnen drie maanden komt het kabinet echter in oktober 2002 ten val, waarna verkiezingen worden uitgeschreven voor januari 2003. Zo gaat er kostbare tijd om in te grijpen verloren, terwijl de economie aan een vrije val bezig lijkt.
-
Kabinet-Balkenende II (2003-2006)
Als het kabinet-Balkenende II aantreedt, is de economische groei ongeveer stilgevallen en zijn de overheidsfinanciën in hoog tempo aan het ontsporen. Vooral in de eerste fase van de kabinetsperiode wordt er flink bezuinigd, waardoor het EMU-tekort vrij snel weer onder controle is. Het kabinet voert ingrijpende hervormingen door in de sociale zekerheid en in de zorg, maar komt ten val op het moment dat het na het 'zuur' het 'zoet' wil uitdelen.
-
Kabinet-Balkenende III (2006-2007)
Het kabinet-Balkenende III regeert als overgangskabinet tot het aantreden van een nieuw kabinet. Tijdens de korte regeerperiode zet het kabinet het economisch beleid van het kabinet-Balkenende II voort. De economie en de overheidsfinanciën hebben zich inmiddels hersteld. Belangrijkste wapenfeiten van het kabinet zijn het indienen van de begroting voor 2007 en het doorvoeren van de al door het voorgaande kabinet geplande verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting.
Vergelijking kabinetten
Het kabinet-Biesheuvel I profiteert gemiddeld van de hoogste economische groei, maar dit kabinet regeert dan ook voor de eerste oliecrisis. Van de andere kabinetten hebben het eerste paarse kabinet en het kabinet-Den Uyl (ondanks de oliecrisis) en -Lubbers II de economie gemiddeld het meest mee.
Opvallend is dat het kabinet-Kok I een hoge economische groei combineert met een aanzienlijke verbetering van het EMU-saldo, terwijl de kabinetten-Den Uyl en Lubbers II het saldo laten verslechteren. Het kabinet-Kok I realiseert een relatief grote verbetering van de overheidsfinanciën, terwijl het kabinet-Van Agt I het uitzonderlijk slecht doet.
Op het gebied van de arbeidsparticipatie en de verhouding tussen het aantal inactieven en het aantal actieven scoren vooral de kabinetten-Kok I en II goed. Gelet op de hoge groei doet het kabinet-Den Uyl het slecht. Dit is ook het enige kabinet dat de replacement rate (de verhouding tussen het inkomen van iemand zonder baan vergeleken met iemand met een baan) laat oplopen, waardoor niet-werken financieel aantrekkelijker wordt dan wel werken.
Het kabinet-Lubbers I realiseert juist een grote daling van de replacement rate.
| Kabinet | Economische groei | Mutatie EMU-saldo | Mutatie i/a-ratio | Mutatie participatiegraad | Mutatie replacement rate |
| Biesheuvel | 4,2% | +2,1% | +4,5% | -1,0% | -0,9% |
| Kok I | 3,5% | +3,6% | -8,9% | +3,9% | -2,2% |
| Den Uyl | 3,4% | -1,3% | +11,5% | -0,5% | +0,7% |
| Lubbers II | 3,3% | -1,7% | -1,9% | +1,1% | -1,8% |
| Balkenende III | 3,2% | +0,0% | -2,0% | +0,9% | -0,2% |
| Kok II | 2,9% | -1,1% | -3,5% | +3,1% | -1,6% |
| Lubbers III | 2,8% | +1,8% | +0,1% | +2,1% | -2,5% |
| Lubbers I | 2,0% | +1,6% | +5,8% | -1,0% | -6,3% |
| Balkenende II | 1,8% | +2,6% | +0,3% | +0,9% | -0,5% |
| Van Agt I | 1,6% | -4,2% | +8,7% | +0,8% | -1,3% |
| Balkenende I | 0,2% | -1,1% | +0,8% | +0,5% | -0,2% |
| Van Agt II | -0,8% | -1,2% | +5,7% | -0,3% | -0,5% |
| Van Agt III | -1,2% | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. |
Vergelijking premiers
De premiers Biesheuvel, Den Uyl en Kok hebben de economie gemiddeld het meest mee. Balkenende en vooral Van Agt regeren in economisch moeilijke tijden. Lubbers zit daar tussenin, maar heeft te maken met grote verschillen tussen de jaren waarin hij regeert.
Kok en Balkenende zijn het best voor de overheidsfinanciën, Den Uyl doet het relatief slecht. Van Agt is de 'big spender' onder de premiers. Op de arbeidsmarkt gaat het onder Kok veruit het best, en onder Den Uyl en Van Agt juist niet zo goed. Lubbers is kampioen in het verlagen van de replacement rate.
| Kabinet | Economische groei | Mutatie EMU-saldo | Mutatie i/a-ratio | Mutatie participatiegraad | Mutatie replacement rate |
| Biesheuvel | 4,2% | +2,1% | +4,5% | -1,0% | -0,9% |
| Den Uyl | 3,4% | -1,3% | +11,5% | -0,5% | +0,7% |
| Kok I-II | 3,1% | +2,6% | -12,4% | +7,0% | -3,8% |
| Lubbers I-III | 2,5% | +1,7% | +4,0% | +2,2% | -10,6% |
| Balkenende I-III | 1,8% | +2,5% | -0,9% | +2,2% | -0,9% |
| Van Agt I-III | 1,1% | -5,4% | +14,4% | +0,4% | -1,8% |
Meer over
