Dualisme en monisme

De trias politica vereist scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. In Nederland heeft het parlement, samen met de regering, wetgevende macht. Er is wel sprake van een dualistisch stelsel, want ministers en staatssecretarissen mogen geen lid van het parlement zijn.

In de praktijk is het gedrag van de Tweede Kamer echter vaak minder dualistisch. Hierop bestaat veel kritiek, omdat de weinig onafhankelijke houding van de Tweede Kamer ten koste gaat van de controle op en bijsturing van het kabinet. Vooral kabinetsformaties staan op gespannen voet met het dualisme.

Het Torentje, de werkkamer van de minister-president waar veelal afspraken tussen kabinet en coalitiefracties uit de Tweede Kamer worden gemaakt, staat symbool voor het gebrek aan dualisme.

In het provinciale en gemeentelijk bestuur is sinds 2003 het dualisme formeel ingevoerd. Daarvoor waren gedeputeerden en wethouders lid van Provinciale Staten, respectievelijk gemeenteraden.

Trias politica

Volgens de leer van de trias politica moet er een scheiding van machten zijn tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. In het Nederlandse stelsel is de rechterlijke macht onafhankelijk, maar bestaat er voor wat betreft de wetgeving geen strikte scheiding tussen uitvoerende en wetgevende macht.

Nederland wordt bestuurd door het kabinet, dat ook het beleid uitvoert. Het kabinet wordt door het parlement gecontroleerd. Parlement en kabinet hebben echter gezamenlijk een wetgevende verantwoordelijkheid: het kabinet dient wetsvoorstellen in, en de Tweede en Eerste Kamer kunnen deze aannemen of verwerpen. De Tweede Kamer heeft het recht wetsvoorstellen te amenderen, en Tweede Kamerleden hebben tevens het recht om zelf een nieuw wetsvoorstel (een initiatiefwetsvoorstel) in te dienen.

Dualistisch versus monistisch stelsel

In Nederland mogen ministers en staatssecretarissen, behalve tijdelijk tijdens de vorming van een nieuw kabinet na de verkiezingen, geen lid van de Tweede of Eerste Kamer zijn. De bedoeling hiervan is dat het parlement een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van het kabinet. Met de onafhankelijkheid wordt beoogd de controle van het parlement op het kabinet(sbeleid) te bevorderen. Zo wordt voorkomen dat kabinetsleden zichzelf moeten controleren. Een dergelijk stelsel wordt dualistisch genoemd.

Er bestaan ook landen met een monistisch stelsel, waar de kabinetsleden tevens parlementslid zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor het Verenigd Koninkrijk.

Dualisme en monisme in de politieke praktijk

De termen dualisme en monisme worden vaak gebruikt om de daadwerkelijke mate van onafhankelijkheid van het parlement ten opzichte van het kabinet aan te duiden. Want hoewel Nederland een dualistisch stelsel heeft, treedt het parlement in de praktijk niet altijd even onafhankelijk op. Dat komt het sterkst tot uiting tijdens kabinetsformaties, wanneer fracties nauw betrokken zijn bij het opstellen van het regeringsprogramma.

Een situatie waarin het parlement (met name de coalitiefracties in de Tweede Kamer) en het kabinet relatief onafhankelijk van elkaar opereren en hun eigen afzonderlijke verantwoordelijkheden benadrukken, wordt dualisme genoemd.

Wanneer parlement (met name de coalitiefracties in de Tweede Kamer) en kabinet, vooral informeel en achter de schermen, relatief nauw met elkaar samenwerken en afspraken met elkaar maken is sprake van monisme. In geval van dualisme komt de controlerende en bijsturende taak van het parlement dus meer en openlijker tot uiting.

In hoeverre in de praktijk sprake is van dualisme of monisme staat sterk ter discussie. De mogelijkheid om tijdens een kabinetsperiode zelfstandig standpunten in te nemen wordt voor coalitiefracties in de Tweede Kamer beperkt doordat ze net als het kabinet zijn gebonden aan een regeerakkoord of strategisch akkoord.

Coalitiefracties vertonen veelal ook een sterke neiging het kabinet te steunen, zeker als het gaat om bewindslieden van de eigen partij. Dit gebeurt dikwijls uit angst dat een al te kritische houding ten opzichte van de partijgenoten in het kabinet de partij als geheel schade zal berokkenen in de publieke opinie, en vervolgens bij de verkiezingen. Daar staat tegenover dat oppositiefracties soms een geforceerde neiging vertonen om het kabinet aan te vallen.

In veel gevallen hebben bewindslieden bovendien een sterke persoonlijke band met Tweede Kamerleden, omdat zij die kennen uit hun partij of uit hun eigen verleden als Kamerlid. Verder is het gebruikelijk dat coalitiepartijen op donderdagavond, de avond voor de vergadering van de ministerraad op vrijdag, een zogenaamd bewindsliedenoverleg (ook wel: bewindspersonenoverleg) houden. Het bewindsliedenoverleg is een politiek overleg tussen de ministers en staatssecretarissen van een partij en de top van de Tweede Kamerfractie van die partij, meestal aangevuld met enkele andere partijprominenten.

Torentjesoverleg

In de jaren 1980-2002 werden afspraken tussen kabinet en coalitiefracties veelal gemaakt in het 'Torentje', het kantoor van de minister-president. Dat overleg, in het algemeen in de vorm van een wekelijks lunchoverleg op woensdagmiddag, werd daarom 'Torentjesoverleg' genoemd. Deelnemers aan dit overleg waren de minister-president, de vicepremier(s) en de voorzitters van de coalitiefracties in de Tweede Kamer. Dit gezelschap werd soms, al naar gelang het onderwerp van de bespreking, aangevuld met enkele betrokken bewindslieden en/of Kamerleden van de coalitie.

Op het gebrek aan dualisme, gesymboliseerd door het Torentje, bestaat veel kritiek. Het achterwege laten van het (zichtbaar) overleg in het Torentje betekent echter niet noodzakelijk dat er elders geen (onzichtbaar) overleg plaats vindt.


Meer over