Bestuur in de Bataafs-Franse tijd (1795-1813)

Onder de Bataafs-Franse tijd verstaan we de periode tussen 1795 en 1813 waarin de Nederlanden onder Franse invloed stonden. Tot 1806 is er sprake van een overwegend Nederlands bestuur, daarna nemen de Fransen de touwtjes zelf in handen, eerst onder koning Lodewijk Napoleon en vanaf 1810 door inlijving bij het Franse keizerrijk.

De Bataafs-Franse Tijd kent diverse perioden, waarin democratische en minder democratische regeringen aan het bewind zijn. In deze tijd wordt de basis gelegd voor het moderne Nederland, met een eenhoofdig bestuur, ministers, rijksambtenaren, uniforme wetgeving en uniforme rechtspraak.

Inleiding

In december 1794 trokken Franse troepen onder leiding van generaal Pichegru over de bevroren rivieren en bezetten de Nederlanden. Op 18 januari 1795 vlucht stadhouder Willem V naar Engeland. Op talrijke plaatsen in het land nemen revolutionaire comités van patriotten het bestuur over. Zij zijn voorstander van gelijke rechten van alle burgers ('vrijheid, gelijkheid en broederschap') en voor verkiezing van het bestuur. Daarmee keren ze zich tegen het oude Stadhouderlijke Bewind, waarin regenten de baantjes onderling verdeelden.

Door het Haags Verdrag van 16 mei 1795 komen de Nederlanden onder Franse invloed. De vroegere Republiek der Verenigde Nederlanden moet militaire en financiële steun geven aan Frankrijk, maar houdt een eigen bestuur.

De Bataafse Republiek

De (oude) Staten-Generaal, waartoe nu ook Drenthe en Brabant gaan behoren, worden afgeschaft. Er komt een tamelijk democratisch gekozen Nationale Vergadering, die een Grondwet gaat opstellen. Deze vergadering komt op 1 maart 1796 voor het eerst bijeen in de Balzaal aan het Binnenhof.

Nog voor de Grondwet er is, wordt scheiding van kerk en staat doorgevoerd en het gelijkheidsbeginsel van alle burgers ingevoerd. Ook katholieken en joden kunnen voortaan bestuursfuncties bekleden.

Nadat in 1797 een eerste ontwerp voor de Grondwet is verworpen, komt er een Tweede Nationale Vergadering. Dat parlement komt in januari 1798 aan zijn eind door een staatsgreep. Radicale unitariërs (voorstanders van een centraal bestuur) nemen het bewind over en maken een Grondwet. Er komt een zogenaamd Uitvoerend Bewind van de Bataafse Republiek.

Deze Grondwet treedt in juli 1798 in werking na een tweede staatsgreep van meer gematigde patriotten (moderaten). Het Uitvoerend Bewind blijft bestaan, en daarnaast komt er een parlement (het Vertegenwoordigend Lichaam) en zijn er agenten, die zijn te vergelijken met onze ministers.

Periode van het Staatsbewind (1801-1805)

In september 1801 wordt het Uitvoerend Bewind met behulp van de Fransen afgezet. Er komt een veel autoritairder bestuur met aan het hoofd het Staatsbewind. Veel oude regenten uit de tijd van de stadhouder keren terug in het bestuur. Het ingestelde Wetgevende Lichaam heeft betrekkelijk weinig te zeggen.

Periode van Raadpensionaris Schimmelpenninck (1805-1806)

Omdat de Fransen vinden dat de Bataafse Republiek Frankrijk te weinig steun geven in zijn oorlog tegen Engeland, vervangt Napoleon in 1805 het Staatsbewind door een eenhoofdig bestuur. Hij kiest daarvoor Rutger Jan Schimmelpenninck, die de functie van raadpensionaris krijgt.

Het Koninkrijk Holland (1806-1810)

Ook over het bestuur van Schimmelpenninck is Napoleon op den duur niet tevreden. Hij benoemt daarop zijn broer, Lodewijk Napoleon, in 1806 tot koning van Holland. Hij stelt Nederlandse ministers aan en zet zich in voor het welzijn van zijn nieuwe onderdanen. Wel worden Franse wetten ingevoerd, zoals het Franse Wetboek van burgerlijke rechtspleging.

Deel van Frankrijk (1810-1813)

De keizer is uiteindelijk niet tevreden over zijn broer en dwingt hem tot aftreden. Op 9 juli 1810 wordt Holland ingelijfd bij het Franse keizerrijk, met aan het hoofd keizer Napoleon. In de Nederlanden komt een Franse Gouverneur-Generaal.

De inlijving leidt tot invoering van nieuwe wetboeken: de Code Pénal (het Wetboek van Strafrecht), de Code Civil (Burgerlijk Wetboek) en de Code de Commerce (Wetboek van Koophandel). De rechterlijke organisatie wordt sterk verbeterd. Verder komt er een burgerlijke stand (en burgerlijk huwelijk). Door de Mijnwet van 1810 worden delfstoffen tot gemeenschapsbezit verklaard. Een Dijkwet zorgt voor beter onderhoud van de dijken.

Er worden aan het land ook allerlei financiële en economische lasten opgelegd en bovendien wordt in 1811 de algemene dienstplicht ingesteld. Dienstplichtigen kunnen zich tegen betaling laten vervangen door een plaatsvervanger (remplaçant). Fransen militairen zorgen dat er via zee geen handel meer wordt gedreven (het Continentale Stelsel). De financiële plichten worden opgelegd vanwege de oorlogen die Frankrijk voert, zoals in 1812 tegen Rusland.

Door dit alles neemt de ontevredenheid toe, terwijl ook de economie er weinig florissant voorstaat. Armoede en honger zijn daarvan het gevolg.

Na de Franse nederlaag in de Slag bij Leipzig van oktober 1813 trekken de Franse troepen zich ook terug uit Nederland. Bij de Fransen nederlagen zijn vele Nederlandse soldaten omgekomen. In Amsterdam ontstaan relletjes en worden douanehuisjes in brand gestoken.

Op 20 november wordt het herstel van de vrijheid uitgeroepen door een Voorlopig Bewind van Van Hogendorp en Van der Duyn van Maasdam. Erfprins Willem keert op 30 november 1813 terug in het land. Hij wordt uitgeroepen tot Soeverein Vorst en belooft dat er een Grondwet komt. Een nieuw tijdperk kan beginnen.


meer over