Groningse econoom, die in 1929 promoveerde op een monetair onderwerp en die, na de advocatuur en het secretarisschap van het College van Curatoren van de Groningse universiteit, topambtenaar werd op het ministerie van Onderwijs. Als waarnemend secretaris-generaal, na het ontslag van Van Poelje, kreeg hij in 1940 zitting in het college van secretarissen-generaal. Was voor de oorlog pleitbezorger van gemeenschapszin en in 1940 medewegbereider voor de Nederlandse Unie. Als ambtenaar aanvankelijk vrij loyaal jegens de bezetter, maar na ruim een jaar nam hij toch ontslag. Na 1945 was hij enkele jaren secretaris-generaal, maar daarvoor en daarna langere tijd directeur-generaal van de Kunsten, in welke functie hij krachtig opkwam voor de culturele belangen.