Brugse jurist, die tijdens de Franse tijd onder meer prefect in Noord-Duitsland en Zeeland was. Speelde als lid van de Grondwetscommissie in 1815 een belangrijke rol bij de instelling van de Eerste Kamer. Nadien Gouverneur van Oost-Vlaanderen en in 1817 minister van Binnenlandse Zaken, waaronder ook de zorg voor waterstaat en onderwijs vielen. Aanvankelijk een door Willem I gewaardeerde Zuid-Nederlander. Mede door zijn zwakke gezondheid en verminderde werkkracht raakte hij later in ongenade. De koning vond hem toen zelfs lui en grof, en promoveerde hem weg naar Buitenlandse Zaken, dat toen een onbetekende post was. Na een half jaar eindigde ook dat ministerschap.