Tweede Kamerlid en provinciebestuurder uit de eerste jaren van het Koninkrijk. Vervulde al tijdens de Bataafs-Franse tijd administratieve functies en werd in 1814 gedeputeerde van Overijssel. Volgde in 1828 zijn negen jaar jongere broer Samuel op als Tweede Kamerlid voor Overijssel. Hij behoorde in de Kamer tot de kritische leden, die meer openbaarheid over het financieel beleid verlangden. Werd na zijn vertrek uit de Kamer in de adelstand verheven. Zijn vader was voor 1795 de orangistische burgemeester van Zwolle en had in 1806 zitting in het Wetgevend Lichaam.