Eminent antirevolutionair jurist, die minister van Justitie en president van de Hoge Raad was. Al jong topambtenaar en minister ('het kind van staat'), eerst in het kabinet-De Geer I en daarna in Ruijs de Beerenbrouck III. Stond goed aangeschreven bij de Kamerleden. Bracht onder meer de Ambtenarenwet tot stand. Werd na zijn aftreden als minister in 1933 raadsheer in de Hoge Raad. Tijdens de oorlog betrokken bij het kerkelijk verzet en enige tijd geïnterneerd. Nam ontslag als raadsheer, zonder overigens afstand te nemen van het beleid van de Hoge Raad tijdens de bezetting. Werd desondanks vanwege zijn houding in de oorlog in 1946 benoemd tot president van ons hoogste rechtscollege. Was tevens lange tijd voorzitter van de Kiesraad. Werd in 1971 minister van staat.