Gronings liberaal Tweede Kamerlid en letterkundige. Kreeg in 1841 door bemiddeling van zijn hoogleraren een doctoraat in de letteren en werd in 1847 hoogleraar in Deventer. In 1854 ging hij letteren en vaderlandse geschiedenis doceren in Groningen. Sinds 1864 afgevaardigde voor het district Winschoten. Hield zich onder meer bezig met onderwijswetgeving. Nam vaak een zelfstandige positie in en sympathiseerde met Fransen van de Putte. In 1877 nam een andere liberaal het bij de verkiezingen tegen hem op, maar werd hij nog wel herkozen. Korte tijd later volgde een benoeming tot hoogleraar in Leiden. Verondersteld wordt dat hij een bastaardzoon van koning Willem II was.