Groningse advocaat en notaris uit een katholieke notabelenfamilie, die lange tijd een vooraanstaand liberaal Eerste Kamerlid was. Nam in 1868 met vier anderen het initiatief om de Eerste Kamer een adres op te laten stellen aan de koning om hem te verzoeken een nieuw kabinet te formeren. Na de breuk tussen liberalen en katholieken en omdat hij tegen afschaffing van de doodstraf had gestemd, verloor hij in 1877 zijn Kamerzetel. Hij werd echter wel direct tot Statenlid gekozen. In 1879 keerde hij terug naar de Senaat. Broer van de liberale politicus E.J.J.B. Cremers, die zeventien jaar jonger was dan hij.