Dr. H. (Hendrik) Colijn

foto Dr. H. (Hendrik) Colijnvergrootglas Antirevolutionair staatsman, die zijn loopbaan als officier in de binnenlanden van Indië begon. Korte tijd Tweede Kamerlid en als jong minister van Oorlog succesvol. Daarna directeur van een olieconcern. Zeer vermogend. In 1920 opvolger van Kuyper als leider van de ARP. Voerde in 1923-1926 als minister van Financiën een streng bezuinigingsbeleid. Tijdens de crisis van de jaren dertig minister-president. Predikte een beleid van aanpassing, waarbij salarissen en uitkeringen werden verlaagd. Hoffelijk in de omgang. Had ook internationaal goede contacten en gezag. Charismatisch spreker en krachtige persoonlijkheid, die zich het liefst met hoofdlijnen bezighield, maar zichzelf ook wel overschatte. Tamelijk opportunistisch en hard. Riep bij tegenstanders nogal wat weerstanden op. Reageerde soms impulsief, zoals in mei 1940 toen hij langdurige Duitse heerschappij leek te aanvaarden. Stierf in Duitse ballingschap.

ARP
in de periode 1909-1944: lid Tweede Kamer, fractievoorzitter TK, lid Eerste Kamer, minister, minister-president, minister van staat

voornaam (roepnaam)

Hendrikus (Hendrik)

personalia

wijziging in naam en/of titulatuur
  • H. Colijn, van 2 juni 1869 tot 20 oktober 1930
  • Dr. H. Colijn, vanaf 20 oktober 1930 (nadat aan hem door de Vrije Universiteit te Amsterdam een eredoctoraat was verleend)

geboorteplaats en -datum
Burgerveen (gem. Haarlemmermeer), 22 juni 1869

overlijdensplaats en -datum
Ilmenau (Dld.), 18 september 1944

begraafplaats en -datum
herbegraven te 's-Gravenhage, 5 juni 1947

levensbeschouwing
  • Christelijk-gereformeerd (afgescheidenen), tot 1892
  • Gereformeerd, vanaf 1892

opmerkingen over de naam en/of titel
Werd in zijn jeugd ook wel Driekus en Hein genoemd

partij/stroming

partij(en)
ARP (Anti-Revolutionaire Partij)

hoofdfuncties en beroepen

  • hulp-onderwijzer (volontair) te Nieuw-Vennep, van 1 oktober 1884 tot februari 1886
  • tweede luitenant der infanterie, Oost-Indisch Leger, van 15 december 1892 tot 1896
  • eerste luitenant der infanterie, Oost-Indisch Leger, van 1896 tot juni 1897
  • militair commandant en burgerlijk gezaghebber te Poeloe Weh (Atjeh, Ned.-Indië), van juni 1897 tot november 1897
  • militair commandant en burgerlijk gezaghebber te Lam Djamoe (Atjeh, Ned.-Indië), van november 1897 tot november 1898
  • burgerlijk gezaghebber afdelingen Indrapoeri en Selimoen (Atjeh, Ned.-Indië), van november 1898 tot mei 1899
  • officier-civiel gezaghebber van Tapa Toean (Atjeh, Ned.-Indië), van mei 1899 tot september 1901
  • adjudant van J.B. van Heutsz, Gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden, van 4 september 1901 tot 1903
  • belast met het burgerlijk gezag over een deel van de Noordkust van Atjeh, van 1903 tot mei 1904
  • verlof in Nederland, van mei 1904 tot september 1904
  • adjudant van J.B. van Heutz, Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, van september 1904 tot oktober 1904
  • assistent-resident Gajoe- en Alaslanden (Atjeh, Ned.-Indië), van oktober 1904 tot april 1905
  • belast met onderzoek naar de toestanden in de Buitenbezittingen en met de bestuursorganisatie, van april 1905 tot 1 juni 1907
  • secretaris Gouvernement van Nederlandsch-Indië, toegevoegd aan de commissie voor de decentralisatie, van 1 juni 1907 tot 1 oktober 1909
  • adviseur voor bestuurszaken der Buitenbezittingen, van 8 november 1908 tot 1 oktober 1909
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 9 november 1909 tot 4 januari 1911 (voor het kiesdistrict Sneek)
  • minister van Oorlog, van 4 januari 1911 tot 29 augustus 1913
  • minister van Marine ad interim, van 14 mei 1912 tot 29 augustus 1913 (na het aftreden van minister J. Wentholt)
  • ambteloos, van 29 september 1913 tot 1 maart 1914
  • directeur BPM (Bataafsche Petroleum Maatschappij), van 1 maart 1914 tot 1 april 1922
  • lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 15 september 1914 tot 10 november 1920 (voor Gelderland)
  • lid politieke hoofdredactie "De Standaard", antirevolutionair dagblad voor Nederland, van 10 november 1920 tot 1 april 1922
  • hoofdredacteur "De Standaard", antirevolutionair dagblad voor Nederland, van 1 april 1922 tot 2 oktober 1939
  • fractievoorzitter ARP Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 11 juli 1922 tot 11 augustus 1923
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 25 juli 1922 tot 15 augustus 1923
  • minister van Financiën, van 11 augustus 1923 tot 8 maart 1926
  • voorzitter van de ministerraad, van 4 augustus 1925 tot 8 maart 1926
  • minister van Koloniën ad interim, van 4 augustus 1925 tot 1 oktober 1925 (in afwachting van de beëdiging van Ch.J.I.M. Welter)
  • lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 23 september 1926 tot 22 augustus 1929
  • fractievoorzitter ARP Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 23 september 1926 tot juli 1929
  • hoofdredacteur "De Standaard", antirevolutionair dagblad voor Nederland, van 14 juli 1927 tot 24 mei 1933
  • fractievoorzitter ARP Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 17 september 1929 tot 23 mei 1933
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 17 september 1929 tot 24 mei 1933
  • minister van Koloniën, van 26 mei 1933 tot 24 juni 1937
  • voorzitter van de ministerraad, van 26 mei 1933 tot 10 augustus 1939
  • minister van Economische Zaken ad interim, van 17 april 1934 tot 25 juni 1934 (na het aftreden van minister T.J. Verschuur)
  • minister van Waterstaat ad interim, van 14 januari 1935 tot 15 maart 1935 (na het overlijden van minister J.A. Kalff)
  • minister van Defensie ad interim, van 2 september 1935 tot 24 juni 1937
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 8 juni 1937 tot 25 juni 1937
  • minister van Buitenlandse Zaken ad interim, van 24 juni 1937 tot 4 oktober 1937 (in afwachting van de benoeming van J.A.N. Patijn)
  • minister van Algemene Zaken, van 8 juli 1937 tot 10 augustus 1939 (ministerie ingesteld bij K.B. van 6 juli 1937)
  • minister van Financiën ad interim, van 19 mei 1939 tot 25 juli 1939 (na het aftreden van minister J.A. de Wilde)
  • minister van Economische Zaken ad interim, van 25 juli 1939 tot 10 augustus 1939 (in afwachting van de benoeming van prof. I.P. de Vooys)
  • lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 31 oktober 1939 tot 18 september 1944

ambtstitel
  • minister van staat, van 31 augustus 1929 tot 18 september 1944

gevangenschap/internering
  • gevangene te Valkenburg (Lb.), van 30 juni 1941 tot 28 oktober 1941
  • gedwongen verblijf te Berlijn, van 29 oktober 1941 tot maart 1942
  • gedwongen verblijf te Ilmenau (Dld.), van maart 1942 tot 18 september 1944

officiersrangen
  • tweede luitenant der infanterie, Oost-Indisch Leger, van 15 december 1892 tot 1896
  • eerste luitenant der infanterie, Oost-Indisch Leger, van 1896 tot 20 augustus 1901
  • kapitein der infanterie, Oost-Indisch Leger, van 21 augustus 1901 tot 1 juni 1907
  • majoor der infanterie titulair, Oost-Indisch Leger, 1 juni 1907

partijpolitieke functies

  • voorzitter Centraal Comité van ARP-kiesverenigingen, van 14 april 1920 tot 26 mei 1933
  • politiek leider ARP, van 14 april 1920 tot 18 september 1944
  • redacteur "Antirevolutionaire Staatkunde", orgaan van de Dr. Abraham Kuyperstichting ter bevordering van de studie der antirevolutionaire beginselen, van oktober 1924 tot 1941
  • voorzitter Raad van Beheer partijkantoor ARP ('Kuyperhuis'), vanaf april 1925
  • voorzitter Centraal Comité van ARP-kiesverenigingen, van 6 september 1939 tot 1 april 1941

lijsttrekkerschap etc.
  • lijstaanvoerder ARP Tweede Kamerverkiezingen 1922 (in de kieskringen Leeuwarden, Groningen en Assen)
  • lijsttrekker ARP Tweede Kamerverkiezingen 1925 (in alle kieskringen)
  • lijstaanvoerder ARP Tweede Kamerverkiezingen 1929 (in de kieskring Leeuwarden)
  • lijsttrekker ARP Tweede Kamerverkiezingen 1933 (in alle kieskringen)
  • lijsttrekker ARP Tweede Kamerverkiezingen 1937 (in alle kieskringen)

nevenfuncties

  • medewerker "De Getuige, christelijk weekblad voor Nederlands-Oost-Indië, vanaf 1903
  • correspondent en militair medewerker "De Standaard", omstreeks 1904 tot 1909
  • lid Nederlandsch-Indische Telegraafcommissie, van 1 juli 1909 tot november 1909
  • directeur Nederlandsch-Indisch Land Syndicaat, van juni 1910 tot januari 1911
  • lid Staatscommissie betreffende de organisatie der protestantse kerk in Nederlands-Indië (Staatscommissie-De Marez Oyens), van 8 december 1910 tot mei 1913
  • ondervoorzitter Staatscommissie inzake de verdediging van Nederlands-Indië (Staatscommissie-Heemskerk), van 6 mei 1912 tot juni 1913
  • redactie "Stemmen des Tijds", maandblad voor Christendom en cultuur, vanaf 1913
  • lid Raad van Commissarissen dagblad "De Standaard", vanaf 1914
  • lid bestuur Anti-Opiumbond, omstreeks 1914
  • lid deputaatschap voor de correspondentie met de Hooge Overheid, van 1914 tot 1923 (benoemd door de Gereformeerde synode)
  • lid deputaatschap voor de verzorging van de verstrooide gereformeerden in onze Oost-Indische bezittingen, van 1917 tot 1944 (benoemd door de Gereformeerde synode)
  • voorzitter Staatscommissie opleiding voor zee-officier en officier-machinist, vanaf 15 februari 1918
  • lid Raad van Commissarissen NUM (Nederlandsche Uitvoer Maatschappij), omstreeks 1918
  • voorzitter Algemeene Patroonsvereeniging "Boaz", omstreeks 1918
  • voorzitter Bond van Vereenigingen van Middelbaar en Voorbereidend Hoger Onderwijs, omstreeks 1918
  • voorzitter Koninklijke Vereeniging voor de Luchtvaart, omstreeks 1918
  • voorzitter Nederlandsche Rode Kruis, omstreeks 1918
  • lid College van Curatoren Technische Hogeschool te Delft, van 1918 tot 1919
  • lid Raad van Commissarissen KPM (Koninklijke Parketvaart Maatschappij), van 1918 tot 1923
  • voorzitter CWV (Christelijke Werkgevers Vereeniging), van 1918 tot 1919
  • lid Commissie voor de Economische Politiek, omstreeks 1919
  • ondervoorzitter Zuiderzeeraad, van 31 maart 1919 tot 11 augustus 1923
  • lid Raad van Defensie, tot september 1923
  • lid Raad van Bijstand directie van Economische Zaken, ministerie van Buitenlandse Zaken, omstreeks 1920
  • lid college van directeuren Vereeniging voor hooger onderwijs op gereformeerden grondslag (Vrije Universiteit) te Amsterdam, van juli 1922 tot 1925
  • lid Raad van Commissarissen Nederlandsche Handel-Maatschappij, van 1922 tot augustus 1923
  • voorzitter Staatscommissie kostenbesparing hoger onderwijs, van 24 februari 1923 tot 2 oktober 1923
  • kabinetsformateur, van 15 juli 1925 tot 1 augustus 1925
  • voorzitter College van Directeuren, Vereeniging voor hooger onderwijs op gereformeerden grondslag (Vrije Universiteit) te Amsterdam, van 1925 tot 1929
  • voorzitter Raad van Toezicht op de leerstoel indologie, Rijksuniversiteit Utrecht, van 1925 tot 1933
  • lid Raad van Commissarissen N.V. Nederlandsche Handel-Maatschappij, van juli 1926 tot mei 1933
  • lid Zuiderzeeraad, van 1 januari 1927 tot 1 april 1929
  • Nederlands afgevaardigde naar Internationale economische conferenties in het kader van de Volkenbond te Genève & Londen, van 1927 tot 1933
  • vicevoorzitter Raadgevend Economische Comité van de Volkenbond, vanaf oktober 1927
  • voorzitter Zuiderzeeraad, van 1 april 1929 tot mei 1933 (benoemd bij K.B. van 19 maart 1929)
  • voorzitter Nederlandse groep der IPU (Inter Parlementaire Unie), van 1 februari 1933 tot mei 1933
  • kabinetsformateur, van 2 mei 1933 tot 26 mei 1933 (drie verschillende opdrachten)
  • voorzitter economische commissie, Wereld-economische conferentie te Londen, van 12 juni 1933 tot 27 juli 1933 (tevens lid van het 'bureau' van de conferentie)
  • algemeen voorzitter Werkfonds 1934, vanaf juni 1934
  • kabinetsformateur, van 29 juli 1935 tot 30 juli 1935
  • voorzitter erecomité herdenking grondvesting Nederlands gezag in Nederlands-Indië door J.P. Coen, van 1936 tot 1937 (herdenking was 8 januari 1937)
  • voorzitter College van Directeuren, Vereeniging voor hooger onderwijs op gereformeerden grondslag (Vrije Universiteit) te Amsterdam, van 1936 tot 1944
  • kabinetsformateur, van 30 mei 1937 tot 24 juni 1937
  • kabinetsformateur, van 30 juni 1939 tot 9 juli 1939
  • kabinetsformateur, van 14 juli 1939 tot 25 juli 1939
  • politiek hoofdredacteur "De Standaard", Antirevolutionair dagblad voor Nederland, van 1 oktober 1939 tot 5 februari 1941 (nam ontslag na de aanstelling van Max Blokzijl als toezichthoudend redacteur)
  • voorzitter organisatiecommissie Volkenbondcomité voor economische en financiële vraagstukken, vanaf december 1939
  • lid Politiek Convent, van 1 juli 1940 tot 30 juni 1941

afgeleide functies, presidia etc.
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1922 tot april 1923 (resp. voorzitter tweede en derde afdeling)
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1929 tot september 1930
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1931 tot september 1932

erefuncties, comités van aanbeveling etc.
  • erevoorzitter Nationaal Comité 'Het Gedenkteken voor Juliana van Stolberg', vanaf december 1925
  • erevoorzitter Nationale Landstorm Commissie

opleiding

lager-/basisonderwijs
  • lagere school te Uitwijk (N.Br.), van 1875 tot 1881

hoger beroepsonderwijs
  • Christelijke Kweekschool voor onderwijzers te Nieuw-Vennep, vanaf november 1883
  • militaire opleiding bij het Instructiebataljon te Kampen, van 24 februari 1886 tot 1890
  • officiersopleiding Hoofdcursus te Kampen, van 1890 tot augustus 1892

eredoctoraten
  • rechtsgeleerdheid, Vrije Universiteit te Amsterdam, 20 oktober 1930
  • eredoctoraat Staatsuniversiteit van Debreczen (Hongarije), 4 oktober 1938

activiteiten

als parlementariër
  • Hield zich behalve met het algemene regeringsbeleid en financieel-economische zaken als Kamerlid vooral bezig met koloniale aangelegenheden
  • Interpelleerde als Eerste Kamerlid in 1929 de ministers Lambooij en Koningsberger over de gebeurtenissen op Curaçao, waar een Venezulaanse bende een overval op een wapendepot had gepleegd, waartegen door de autoriteiten onvoldoende was opgetreden
  • Sprak in de periode 1939-1940 als Eerste Kamerlid alleen bij de algemene beschouwingen over de begroting 1940

opvallend stemgedrag
  • Behoorde in 1916 samen met Bavinck en Woltjer tot de minderheid van zijn fractie die vóór de ontwerp-Eedswet stemde
  • Stemde in 1927 vóór het (verworpen) wetsvoorstel tot goedkeuring van het Verdrag met België

als minister-president
  • Was de verpersoonlijking van de bezuiningspolitiek ("Aanpassing") van de jaren dertig, die er op gericht was het evenwicht op de begroting te herstellen door verlaging van uitgaven voor onder andere ambtenarensalarissen, werklozensteun en onderwijs. Tot 1936 werd - als laatste West-Europese land - vastgehouden aan de gouden standaard (de koppeling van de gulden aan de goudprijs). In schijnbare tegenspraak met de verlaging van de overheidsuitgaven, werden wel extra gelden uitgetrokken voor werklozenprojecten (Werkfonds) en voor steun aan de landbouw en bedrijfsleven. Zijn monteraire beleid richtte zich grotendeels op de inzichten van de president van de Nederlandse Bank, L.J.A. Trip.
  • Stelde in 1934 een zogenaamd Werkfonds in, met een kapitaal van f 60 miljoen. Uit de gelden van dit door C.J.P. Zaalberg - die overigens na korte tijd aftrad - geleide fonds konden werkverschaffingsprojecten worden gefinancierd.
  • Presenteerde op 2 augustus 1935 in een radiorede zijn nieuwe (gereconstrueerde) kabinet en verscheen pas in september met dat kabinet in het parlement.
  • Hield op 11 maart 1936 naar aanleiding van de bezetting van het Rijnland door Duitsland en het daarop genomen besluit om de winterlichting 1935 onder de wapenen te houden een radiorede. Daarin riep hij de luisteraars op even rustig te gaan slapen als zij dat ook andere nachten deden, omdat er voor Nederland nog geen direct oorlogsgevaar was.
  • Lichtte op 28 september 1936 via een radiorede het besluit toe om de Gouden Standaard te verlaten en over te gaan tot devaluatie van de gulden
  • Hield in 1938 de feestrede tijdens de viering van het 40-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina
  • Hield op 11 april 1939 n.a.v. de mobilisatie van grensbataljons een radiorede, waarin hij aangaf dat er geen enkele reden was voor bijzondere ongerustheid of beduchtheid voor de veiligheid

als bewindspersoon (beleidsmatig)
  • Stelde als minister van Marine in 1912 een Staatscommissie in, die een vlootplan moest ontwerpen
  • Verdedigde in oktober 1923 samen met de ministers Westerveld, De Graaff en Van Karnebeek zonder succes de ontwerp-Vlootwet in de Tweede Kamer. Dat ontwerp behelsde de bouw van een marinevloot met een kern van zestien onderzeeboten, twee kruisers, twee onderzeebootmijnenleggers, twaalf jagers en vier flottieljevaartuigen, alsmede honderd vliegtuigen. De kosten hiervan werden over zes jaar verdeeld. Het wetsvoorstel werd met 50 tegen 49 stemmen verworpen.
  • Was tussen 1923 en 1925 verantwoordelijk voor een deflatiebeleid dat erop gericht was de overheidsfinanciën te saneren en de gouden standaard te herstellen. Beide doelstellingen werden in 1925 bereikt. Voerde in 1924 een groot aantal bezuinigingen door, onder meer door verlaging van ambtenaren- en onderwijssalarissen en door vermindering van uitgaven voor woningbouw en defensie. Verhoogde daarnaast de belastingen en voerde een belasting op rijwielen in.
  • Diende in 1925 een wetsvoorstel in tot geleidelijke afschaffing van de staatsloterij. Dit voorstel bleef onafgehandeld.
  • Legde op 28 april 1925 in de Tweede Kamer een verklaring af over het per 29 april opnieuw invoeren van de Gouden Standaard
  • Drong als minister van Koloniën begin jaren dertig bij Gouverneur-Generaal De Jonge aan op verdergaande bezuinigingen in Nederlands-Indië. Door verzet van De Jonge werd uiteindelijk minder echter bezuinigd dan hij wilde.
  • Zette tegen de zin van het Indisch bestuur de benoeming van W.H. van Helsdingen tot voorzitter van de Volksraad door.
  • Benoemde in 1936 jhr. A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer tot Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië.

als bewindspersoon (wetgeving)
  • Bracht in 1912 samen met minister Regout de Wet inzake het militair procesrecht tot stand, waardoor dat recht werd gemoderniseerd. De krijgsraad kreeg een permanent karakter, goede omschrijving van de aanklacht was vereist, er kwam een betere regeling van het voorlopig arrest en de terechtzittingen van de krijgsraad werden openbaar. Het horen van getuigen ter zitting werd mogelijk en op alle vonnissen kwam een mogelijkheid van appèl.
  • Bracht in 1913 wijzigingen van de Militiewet en de Landweerwet, en een nieuwe Landstormwet tot stand. Deze wetten zorgden voor een legerhervorming: de jaarlijkse lichting werd 23.000 man, dienstplichtigen dienden vijf jaar bij de Militie en zes jaar bij de Landweer. Niet militie- of landweerplichtigen maakten tot hun veertigste deel uit van de Landstorm, die alleen in buitengewone omstandigheden zou worden opgeroepen.
  • Bracht in 1913 wetten inzake de kustverdediging tot stand. Hierdoor kwam f 12 miljoen beschikbaar voor versterking van de defensie langs de kust (o.a. forten bij IJmuiden en Hoek van Holland en langs de Westerschelde) en voor uitbreiding van de vloot.
  • Bracht in 1924 een nieuwe Tariefwet tot stand, waarbij het invoertarief werd verhoogd van vijf naar acht procent
  • Bracht in 1936 als minister van Defensie ad interim samen met minister Oud de Wet op het defensiefonds en de Wet tot versterking der materiële uitrusting van de weermacht tot stand. Instelling van een Defensiefonds van f 53 miljoen werd nodig geacht om de materiële achterstand bij defensie versneld in te halen.
  • Bracht in 1936 als minister van Koloniën een nieuwe bestuursregeling voor Suriname en Curaçao tot stand, waardoor de de Antillen een eigen vertegenwoordigend lichaam (Staten) kregen en Suriname in plaats van een gekozen Koloniale Raad deels gekozen en deels benoemde Staten. Die benoeming zorgde dat niet-vertegenwoordigde minderheden zetels kregen. Er kwam een aanwijzigingsbevoegdheid van de minister voor de Gouverneurs.

wetenswaardigheden

algemeen
  • Kocht na het overlijden van Abraham Kuyper diens huis aan de Kanaalstraat en schonk dit aan de ARP
  • Voorstander van krachtige gezagshandhaving, zowel in Nederland als in Nederlands-Indië en de 'West'. Dit bleek onder meer uit zijn afkeuring van het 'slappe' optreden tegen Venezolaanse rebellen op Curaçao (1929), uit zijn roep om de muiterij op de 'Zeven Provinciën' (1933) met geweld de kop in te drukken, en uit het harde optreden tijdens het Jordaanoproer (1934).
  • Had begin jaren '30 grote belangstelling voor het Italiaanse fascisme, maar meende dat dat stelsel niet bruikbaar was in Nederland
  • Stond kritisch tegenover het Nederlandse parlementaire stelsel en de evenredige vertegenwoordiging
  • Bezocht in de eerste helft van 1928 Nederlands-Indië en publiceerde mede op grond van zijn bevindingen en gesprekken een boek over koloniale vraagstukken
  • Werd in 1931 gepasseerd voor de functie van Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, met name vanwege verzet van minister De Graaff
  • Hield er conservatief-liberale economische opvattingen op na
  • Leidde in juni/juli 1933 de Nederlandse delegatie op de Wereld-economische conferentie in Londen. Was tevens voorzitter van de economische commissie van die conferentie. Ging wekelijks per vliegtuig naar Nederland om de ministerraad te leiden en lopende zaken af te handelen.
  • Liet zich bij zijn opvattingen over defensie vooral leiden door de mogelijke bedreiging van Nederlands-Indië door Japan. Bij de Europese buitenlandse politiek en de houding ten opzichte van Duitsland steunde hij de lijn van de Britse kabinetten onder leiding van Baldwin en Chamberlain ('appeassement').
  • Kwam in mei 1936 in opspraak vanwege een vermeende relatie met een 35-jarige ongehuwde Duitse vrouw. De RK-fractie overwoog op grond hiervan aan te dringen op zijn aftreden, maar de katholieke ministers hielden dit tegen. Na een korte verklaring in de pers en een door Colijn met de vrouw getroffen financiële regeling hield de geruchtenstroom in juni 1936 op.
  • Hield in 1937 een veertigtal grote verkiezingsredes en maakte om door het land te reizen onder meer gebruik van een vliegtuig. De winst van de ARP werd geheel aan zijn leiderschap toegeschreven.
  • Wilde op 13 mei 1940 het Nederlandse volk via de radio toespreken, maar dit werd hem door generaal Winkelman verboden
  • Bekritiseerde in mei 1940 het vertrek van de Nederlandse regering naar Londen
  • Had rond 18 juni 1940 een ontmoeting met rijkscommissaris Seyss-Inquart, waarin deze hem vermoedelijk gepolst heeft voor een adviseursfunctie in het bezette Nederland. De Duitsers vonden hem echter te anti-nationaal-socialistisch.
  • Bracht in juni 1940 een brochure ('Op de grens van twee werelden') uit, waarin hij een lange periode van Duitse hegemonie op het Europese vasteland voorzag. Nam later echter afstand van die inzichten en ondersteunde toen het politieke verzet.

uit de privésfeer
  • Zijn vader was boer in de Haarlemmermeer
  • Via voorouders verwant aan H.M. de Kock, minister van binnenlandse zaken 1836-1841
  • Zijn echtgenote Helena Groenenberg was zijn nicht
  • Zijn broer Pieter Arie was burgemeester van Boskoop (1923-1933) en van Alphen aan den Rijn (1933-1944), zijn broer Arie van Nieuwer-Amstel (Amstelveen) (1916-1932)
  • In 1894 compagnies-commandant te Lombok. Was als officier verantwoordelijk voor de gevangenneming en het doodschieten van vrouwen en kinderen in Panglima Polem om daarmee het verzet van de bevolking te breken.
  • In 1902 tijdelijk commandant en gezaghebber te Lhok Seumane (oostkust Atjeh)
  • In 1904 belast met het vrijwaren van de doorvaart bij de noordpunt van Sumatra
  • Vanaf 1904 belast met het toezicht op de hoofden van de Gajo- en Alaslanden
  • In 1906 functies op Sumatra en Nieuw-Guinea
  • Tussen 26 maart en 23 april 1935 met verlof wegens ziekenhuisopname voor een aambeienoperatie en herstel daarvan
  • Vanaf 26 maart 1942 verbleef hij gedwongen (op eigen kosten) in Ilmenau (Thuringen)
  • Leed aan suikerziekte en had daarom een aangepast dieet. Tevens maakte hij vaak lange wandelingen.

verkiezingen
  • Werd in 1909 in het kiesdistrict Gouda na herstemming verslagen door jhr. W.Th.C. van Doorn (lu)
  • Versloeg in 1909 in het kiesdistrict Sneek C.A. Zelvelder (vdb) en H.A.J. van Wijhe (sdap)
  • In 1926 tot Eerste Kamerlid gekozen door Groep II: Gelderland, Overijssel, Groningen en Drenthe
  • In 1937 Eerste Kamerkandidaat in Groep II: Gelderland, Overijssel, Groningen en Drenthe

niet-aanvaarde politieke functies
  • minister van Koloniën, november 1919 (geweigerd)
  • lid Tweede Kamer, augustus 1925 (i.v.m. herbenoeming tot minister)
  • Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, 1926
  • lid Tweede Kamer, augustus 1928 (vacature-Scheurer)
  • minister van Buitenlandse Zaken, augustus 1929 (geweigerd)
  • minister van Financiën, september 1939 (geweigerd)
  • minister-president, december 1939 (geweigerd)

pseudoniemen, bij-, koos- en schuilnamen
Dixie (pseudoniem in Ned.-Indië)

woonplaats(en)/adres(sen)
  • Burgerveen (gem. Haarlemmermeer)
  • Uitwijk (woonde bij zijn grootouders), van 1875 tot 1881
  • Burgerveen, van 1881 tot februari 1886
  • Nederlands-Indië, van 25 oktober 1893 tot oktober 1909
  • 's-Gravenhage, Bezuidenhout 195, omstreeks 1915
  • 's-Gravenhage, Nieuwe Parklaan 7, omstreeks 1917 tot 1920
  • Londen, van 1 december 1919 tot 1922
  • Beckenham (Kent, VK), van 1919 tot 1922 (buitenhuis)
  • Leersum, "De Hoogstraat", vanaf 1919 (buitenhuis)
  • 's-Gravenhage, Klatteweg, van 1922 tot 1926
  • 's-Gravenhage, Stadhouderslaan 151, van 1926 tot 1941

ridderorden
  • Ridder vierde klasse, Militaire Willemsorde, augustus 1895
  • Ridder derde klasse, Militaire Willemsorde, 30 september 1903 (bij bevordering)
  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 31 augustus 1907
  • Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 30 augustus 1926
  • Grootkruis Orde van de Nederlandse Leeuw, 6 januari 1937 (K.B. van 23 december 1936, bij bevordering op voordracht van de koningin)

overige onderscheidingen en prijzen
begiftigd met de eresabel voor betoonde dapperheid, 1900

relevante buitenlandse reizen
reis via Siberië naar China en Nederlands-Indië, van september 1913 tot 23 februari 1914

verenigingen, sociëteiten, genootschappen etc.
lid Nieuwe of Litteraire Sociëteit "De Witte" te 's-Gravenhage

militaire dienst
  • korporaal, derde regiment der infanterie te Bergen op Zoom, van november 1886 tot 1888
  • sergeant, derde regiment der infanterie te Bergen op Zoom, van 1888 tot 1890

publicaties/bronnen

publicaties
  • "Indie en de Vrije Universiteit" (1905)
  • "Over den Volkerenkrijg" (1914)
  • "Der Vaderen erfdeel" (1922)
  • "Om de bewaring van het pand" (1925)
  • "Beschouwingen over de intern. economische conferentie te Genève" (1927)
  • "Koloniale vraagstukken van heden en morgen" (1928)
  • "Geen rust, maar bezinning" (1929)
  • "Met gesterkte handen" (1929)
  • "Wankelen noch weifelen" (1933)
  • "Het Vaderlandt Ghetrouwe" (1933)
  • "Saevis tranquillus in undis" (1934)
  • "Wat kunnen wij doen, en wat moeten wij nalaten om onze ingezonken volkswelvaart te verhoogen?" (1935)
  • "Generaal Van Heutz: Createur de Valeurs" (1935)
  • "Dispereert niet...Herdenkingsrede over J.P. Coen" (1937)
  • "Wisselingen in het wereldverkeer" (1937)
  • "Op de grens van twee werelden" (1940)

literatuur/documentatie
  • J.C. Rullmann, "Dr. H. Colijn, een levensbericht" (1933)
  • J.A. Eigeman, "Colijn, de verbinding tussen Thorbecke en Groen: De historische nationale herstelgedachte" (1935)
  • J.M. Fuchs, "Korte levensschets van den minister-president dr. H. Colijn" (1936)
  • T. Bottema e.a., "Colijn in de caricatuur: Honderd uitgezochte caricaturen", met voorwoord van Colijn (Baarn, 1936)
  • R. van Reest, "De Levensroman van dr. H. Colijn" (1937) (zeer hachiografisch)
  • L.W.G. Scholten (samenst.), "Voor het Gemeenebest: Keuze uit de redevoeringen van Dr. H. Colijn" (onder zijn medewerking en toezicht samengesteld), (Utrecht, 1938) [De redevoeringen beslaan de jaren 1910-1938]
  • Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (1938)
  • B.J. Brouwer, "De houding van Idenburg en Colijn tegenover de Indonesische beweging" (Kampen, 1958)
  • G. Puchinger (inl.), "H. Colijn-Groenenberg: Dagboek van mevrouw Colijn" (Kampen, 1960)
  • G. Puchinger, "Colijn, momenten uit zijn leven" (Kampen, 1962)
  • J.B. Charles, "Het Bataafsche Christendom: Heerenboeren in het rijk der Voorzienigheid" (1970)
  • G. Puchinger, "Colijn en het einde van de coalitie", 3 delen (Kampen-Leiden, 1970-1993)
  • G. Puchinger, "Nederlandse minister-presidenten van de twintigste eeuw" (1984)
  • J. Bank en C. Vos, "Hendrikus Colijn, Antirevolutionair" (1987)
  • G. Puchinger, "Colijn, Hendrikus (1869-1944)", in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel II, 98
  • J. de Bruijn, H. Langeveld (red.), "Colijn: Bouwstenen voor een biografie", (Kampen, 1994)
  • J. de Bruijn, "Een standbeeld voor Colijn?" (Amsterdam, 1994)
  • H.J. Langeveld, "Dit leven van krachtig handelen. Hendrikus Colijn 1869-1944", deel 1 1869-1933 (1998)
  • H.J. Langeveld, "Schipper naast God. Hendrikus Colijn 1869-1944", deel 1I 1933-1944 (2004)
  • H. te Velde, "Stijlen van leiderschap. Persoon en politiek van Thorbecke tot Den Uyl", 107-152 (2003)
  • P.E. Werkman en R.E. van der Woude, "Hendrikus Colijn (1869-1944). Soldaat, zakenman, politicus", in: P.E. Werkman en R. van der Woude (ed.), "Geloof in eigen zaak, Markante protestantse werkgevers in de negentiende en twintigste eeuw", (2006), 191
  • J. de Bruijn, "Politiek en charisma. Hendrik Colijn als partijleider" en "Een standbeeld voor Colijn?", in: "De sabel van Colijn. Biografische opstellen over religie en politiek in Nederland" (2011)

Biografisch Woordenboek(en)
biografie opgenomen in het Biografisch Woordenboek van Nederland

archivalia via site Nationaal Archief
vindplaatsen en beschrijvingen verzameld door het Nationaal Archief

familie/gezin

huwelijk/samenlevingsvorm
gehuwd te Haarlemmermeer, 18 juli 1893

echtgeno(o)t(e)/partner
H. Groenenberg, Helena

kinderen
3 zoons (twee omgekomen tijdens de Japanse bezetting)

vader
A. Colijn, Antonie

geboorteplaats en/of -datum
Uitwijk (gem. Almkerk, N.Br.) (omstreeks 1833)

moeder
A. Verkuijl, Anna

geboorteplaats en/of -datum
Eethen (N.Br.) (omstreeks 1841)

broers en zusters
3 broers en 4 zusters (een zus jong gestorven)

beroep grootvader (vaderskant)
landbouwer

beroep grootvader (moederskant)
landbouwer

familierelaties

Bovenstaande gegevens zijn ontleend aan het biografisch archief van het Parlementair Documentatiecentrum (PDC) van de Universiteit Leiden en betreffen vooral de periode waarin iemand politiek en bestuurlijk actief is of was.
Aanvullingen en gemotiveerde correcties ontvangt PDC graag. U kunt hiervoor de "reageer-keuze" aan de rechterzijde van deze pagina gebruiken of uw aanvullingen per post sturen naar PDC, antwoordnummer 10801, 2501 BW Den Haag of per email aan info@biografieen.com.