liberaal, oud- of vrije liberalen
functie(s) in de periode 1877-1914: lid Tweede Kamer, voorzitter Tweede Kamer, lid Eerste Kamer, minister, vicepresident Raad van State
Personalia
voornamen (roepnaam)
Joan
titulatuur en naam
Jhr.Mr. J. Röell Joan
geboorteplaats en -datum
Haarlem, 21 juli 1844
overlijdensplaats en -datum
's-Gravenhage, 13 juli 1914
begraafplaats en -datum
Leusden, familiegraf, 16 juli 1914
levensbeschouwing
Nederlands Hervormd
Partij/stroming
stroming(en)
- (oud-)liberaal
- anti-Takkiaan, 1894
partij(en)
Bond van Vrije Liberalen, vanaf 1906
Hoofdfuncties/beroepen
- advocaat te Utrecht, van 1867 tot 1867
- adjunct-commies, Provinciale Griffie te Arnhem, van 1867 tot 1868
- commies-afdelingschef, Provinciale Griffie te Utrecht, van 1868 tot 1 oktober 1872
- griffier Staten van Zuid-Holland, van 1 oktober 1872 tot 15 maart 1878 (benoemd 12 juli 1872)
- lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 18 september 1877 tot 11 oktober 1884 (voor het kiesdistrict Utrecht)
- lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 17 november 1884 tot 18 mei 1886 (voor het kiesdistrict Utrecht)
- lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 23 mei 1887 tot 17 augustus 1887 (voor Zeeland)
- lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 19 september 1887 tot 27 maart 1888 (voor Zeeland)
- lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 1 mei 1888 tot 20 maart 1894 (voor het kiesdistrict Utrecht)
- lid en secretaris Raad van Voogdij over H.M. koningin Wilhelmina, van 8 december 1890 tot 31 augustus 1898 (benoemd bij K.B. van 30 oktober 1888)
- minister van Buitenlandse Zaken, van 9 mei 1894 tot 27 juli 1897 (benoemd per 8 mei 1894)
- voorzitter van de ministerraad, van 10 mei 1894 tot 27 juli 1897 (formeel tijdelijk)
- lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 28 maart 1898 tot 18 augustus 1901 (voor Zuid-Holland)
- lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 17 september 1901 tot 21 september 1909 (voor het kiesdistrict Utrecht II)
- voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 22 september 1905 tot 21 september 1909
- lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 31 januari 1910 tot 2 februari 1912 (voor Noord-Holland)
- vicepresident Raad van State, van 1 februari 1912 tot 13 juli 1914 (benoemd bij K.B. van 29 januari 1912)
(in)formateurschap(pen)
- kabinetsformateur, van 4 mei 1894 tot 7 mei 1894 (mondelinge opdracht van koningin-regentes Emma)
Nevenfuncties
- voorzitter College van Notabelen, Nederlandse Hervormde Kerk te 's-Gravenhage (15 jaar)
- lid Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening (Staatscommissie-Heemskerk), van 11 mei 1883 tot 18 maart 1885
- lid College van Curatoren Rijksuniversiteit Utrecht, van 13 januari 1885 tot 8 mei 1894
- lid curatorium Gemeentelijk Gymnasium te 's-Gravenhage, omstreeks 1887
- lid Raad van Commissarissen Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, omstreeks 1887 (nog in 1909)
- lid Staatscommissie inzake de administratieve rechtspraak (Staatscommissie-Kappeyne van de Coppello), van 16 september 1891 tot 8 mei 1894
- voorzitter College van Curatoren Rijksuniversiteit Utrecht, van 18 oktober 1897 tot 13 juli 1914
- lid College voor de Zeevisscherijen, van april 1899 tot 1 juni 1912
- lid Staatscommissie verkeersverbindingen in en om Utrecht, vanaf 1902
- lid en ondervoorzitter Staatscommissie voor de Grondwetsherziening (Staatscommissie-De Beaufort), van 2 mei 1910 tot 15 mei 1912
afgeleide functies, presidia etc.
- lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1883 tot februari 1884
- voorzitter Commissie voor de Verzoekschriften (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van 21 september 1887 tot 27 maart 1888
- lid Commissie voor Huishoudelijke aangelegenheden (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van 21 september 1887 tot 27 maart 1888
- voorzitter Commissie van Rapporteurs voor het voorstel van de heeren De Savornin Lohman en Schaepman tot herziening van het Reglement van Orde der Kamer (Tweede Kamer der Staten-Generaal), 1888
- lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1892 tot februari 1893
- voorzitter Commissie van Rapporteurs voor hoofdstuk V (Binnenlandse Zaken) 1894 (Tweede Kamer der Staten-Generaal)
- lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van november 1893 tot mei 1894
- lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van juli 1898 tot september 1898
- lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van juli 1899 tot september 1899
- lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van december 1899 tot juli 1900
- lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van december 1900 tot april 1901
- voorzitter Commissie van Voorbereiding voor wetsontwerp Uitvoering art 75 der Ongevallenwet (Beroepswet), van september 1901 tot september 1902
- voorzitter Commissie van Rapporteurs voor hoofdstuk VIII (Oorlog) 1905 (Tweede Kamer der Staten-Generaal)
- voorzitter Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 22 september 1905 tot 21 september 1909
- voorzitter Commissie voor Huishoudelijke aangelegenheden (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 22 september 1905 tot 21 september 1909
- lid Gemengde Commissie voor de Stenographie (namens de Eerste Kamer), van 23 september 1910 tot 2 februari 1912
- lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van april 1911 tot september 1911
comités van aanbeveling, erefuncties etc.
beschermheer Vereeniging Oranje-Park te Utrecht
Opleiding
primair onderwijs
voortgezet onderwijs
- kostschool te Sassenheim
- gymnasium te Utrecht
academische studie
- Romeins en hedendaags recht (gepromoveerd op dissertatie), Hogeschool te Utrecht, van 1861 tot 23 november 1866 (magna cum laude)
Activiteiten
als parlementariër
- Sprak als Tweede en Eerste Kamerlid over uiteenlopende onderwerpen (onderwijs, waterstaat, gezondheid, Grondwetsherziening, kiesrecht, binnenlands bestuur, Indische aangelegenheden en belastingen)
- Behoorde in 1879 tot de 14 liberalen die zorgden voor verwerping van artikel 1 van de ontwerp-Kanalenwet. Die uitslag was voor minister Tak van Poortvliet reden het wetsvoorstel in te trekken en was de inleiding van de val van het kabinet-Kappeyne.
- Behoorde in 1882 tot de zes liberalen die tegen een afkeurende conclusie van de commissie van rapporteurs over de Indische begroting stemden over het grondbezit van inlanders. Aanneming van deze conclusie was voor minister Van Goltstein reden om af te treden.
- Behoorde in 1883 tot de twaalf leden die vóór een (verworpen) ordevoorstel stemde om aan te vangen met de behandeling van een wetsvoorstel over kiesrechtuitbreiding. Verwerping van het voorstel was (mede) reden voor de ontslagaanvrage van het kabinet-Van Lynden van Sandenburg.
- Stemde in 1885 als enige liberaal tegen een (verworpen) motie-Goeman Borgesius waarin werd gevraagd af te zien van herziening van de kiestabel vóór behandeling van de grondwetsherziening
- Behoorde in 1889 tot de minderheid van 17 liberalen die vóór de wijziging van de Lager-onderwijswet van het kabinet-Mackay stemde
als minister-president
- Het door hem geleide kabinet bracht een voorlopig einde aan de kiesrechtstrijd door de totstandkoming van de Kieswet-Van Houten (1896)
als bewindspersoon (beleidsmatig)
- Ontving in juli 1896 de Chinese onderkoning en grootkanselier Li Hung Chang
als bewindspersoon (wetgeving)
- Bracht in 1894 een wet tot goedkeuring van een in 1892 tot stand gekomen overeenkomst met België tot stand over de grens tussen Baarle-Hertog en Baarle-Nassau
- Bracht in 1897 een wet tot goedkeuring van een Verdrag met België tot stand over verbetering van het Kanaal van Gent naar Terneuzen
Wetenswaardigheden
algemeen
- Hij genoot groot gezag in brede kring en stond bekend als specialist in vraagstukken van algemeen constitutionele aard; adviseur van koningin Emma en koningin Wilhelmina
- Werd in september 1901, 1902, 1903 en 1904 als derde op de voordracht voor het Tweede Kamervoorzitterschap gezet
- Werd op 20 september 1905 als eerste kandidaat op de voordracht voor Tweede Kamervoorzitterschap geplaatst. In de derde stemmingsronde kreeg hij 49 van de 97 stemmen, tegen 46 voor A. baron van Dedem.
- Werd in 1909 benoemd tot lid van de (eventuele) Raad van Voogdij voor het geval Juliana als minderjarige tot het koningschap zou worden geroepen
verkiezingen
- Versloeg in 1877 in het district Utrecht B.J.L. baron de Geer van Jutphaas (a.r.)
- Versloeg in 1881 S. baron van Heemstra (arp)
- Versloeg in 1884 J.E.N. baron Schimmelpenninck van der Oye (arp) en jhr. J.H. Hora Siccama (arp)
- Werd in 1886 verslagen door Æ. baron Mackay en J.E.N. baron Schimmelpenninck van der Oye (arp)
- Werd in april 1887 bij een tussentijdse verkiezing van een Eerste Kamerlid in Provinciale Staten van Zeeland met 26 van de 35 stemmen gekozen
- Werd in 1887 bij de verkiezing van Eerste Kamerleden in Provinciale Staten van Zeeland met 28 van de 34 stemmen herkozen
- Versloeg in 1888 Æ. baron Mackay en J.E.N. baron Schimmelpenninck van der Oye (arp)
- Versloeg in 1891 jhr. H.M.J. van Asch van Wijck en W.K.F.P. graaf van Bylandt (arp)
- Werd in 1894 in de districten Utrecht en Haarlem gekozen. Versloeg in het district Utrecht H.A. van Beuningen (lib.) en A. Brummelkamp (arp) na herstemming en in het district Haarlem A.J.W. Farncombe Sanders. Opteerde voor Utrecht, maar nam geen zitting vanwege zijn benoeming tot minister.
- Was in 1897 geen Tweede Kamerkandidaat
- Werd in 1898 bij een tussentijdse verkiezing van een Eerste Kamerlid in Provinciale Staten van Zuid-Holland met 52 van de 71 stemmen gekozen. Op A.N.J.M. baron van Brienen van de Grootse Lindt werden 17 stemmen uitgebracht.
- Versloeg in 1901 in het kiesdistrict Utrecht II D.A.P.N. Koolen (rk) na herstemming
- Versloeg in 1905 N. de Ridder (arp) na herstemming
- Werd in 1909 na herstemming verslagen door J.S.F. van Hoogstraten (arp)
- Versloeg in januari 1910 bij een tussentijdse verkiezing van een Eerste Kamerlid in Provinciale Staten van Noord-Holland met 38 tegen 23 stemmen S. de Vries Czn. (arp)
- Versloeg in 1910 bij de periodieke verkiezing van Eerste Kamerleden in Provinciale Staten van Noord-Holland in de tweede stemmingsronde met 34 tegen 19 stemmen S.D. van Veen (chu)
niet-aanvaarde politieke functies
- minister van Buitenlandse Zaken, 1897 (geweigerd)
woonplaats(en)/adres(sen)
- Utrecht, tot 1872
- 's-Gravenhage, Koninginnegracht 32, van 1872 tot 1894
- 's-Gravenhage, Herengracht 17, vanaf 1894
ridderorden
- Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 31 augustus 1898
- Grootkruis Orde van de Nederlandse Leeuw, 30 april 1909
verenigingen, sociëteiten, genootschappen etc.
- lid Koninklijke Academie van Wetenschappen, vanaf 1894
- lid Historisch Genootschap te Utrecht
Publicaties van/over
lijst van publicaties
- "Historisch-staatsregtelijk onderzoek naar het algemeen en het bijzonder bestuur van den waterstaat in Nederland van 1795 tot 1848" (dissertatie, 1866)
- "Kantteekeningen op de Regeeringsontwerpen tot Herziening der Grondwet" (1887)
literatuur/documentatie
- Castoretpollux, "In de Tweede Kamer. Portretten" (1881)
- L.J. Plemp van Duiveland, "Jhr.mr. Joan Röell", in: "Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen" 42 (1912)
- M.W. Jurriaanse, "De Nederlandse Ministers van Buitenlandse Zaken 1813-1900"
- G. Taal, "Röell, Jhr. Joan (1844-1914)", in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel II, 460
- Onze Afgevaardigden, 1897, 1901, 1905
archivalia
archief-Röell, Nationaal Archief
archivalia via site Nationaal Archief
vindplaatsen en beschrijvingen verzameld door het Nationaal Archief
Familie/gezin
huwelijk/samenlevingsvorm
gehuwd te Utrecht, 10 september 1868
echtgeno(o)t(e)/partner
Jkvr. E.E.R. de Beaufort, Eritia Ena Romelia
kinderen
kinderloos
vader
Mr. H.H. baron Röell, Herman Hendrik
geboorteplaats en/of -datum
's-Gravenhage, 10 december 1806
moeder
E. van de Poll, Elisabeth
geboorteplaats en/of -datum
Amsterdam, 4 maart 1808
familierelaties