Dit gemengd liberaal-conservatieve kabinet kan niet veel tot stand brengen. Plannen op het gebied van koloniën en een belastinghervorming halen niet de eindstreep.
Het kabinet komt ten val als de Eerste Kamer - onder gejuich van de publieke tribune - de ontwerp-Spoorwegwet verwerpt. Dat ontwerp gaat uit van staatsaanleg door particuliere maatschappijen, die door de staat worden gesubsidieerd.
Er worden vooral spoorwegen gepland die Rotterdam goed ontsluiten. Verzet van afgevaardigden uit onder meer Amsterdam (daarin gesteund door de koning) en uit de noordelijke provincies maakt het voorstel kansloos.
Oorlog
minister: C.Th. van Meurs (technocraat) (18 maart 1858 - 1 september 1859)
minister: Jhr. E.A.O. de Casembroot (conservatief) (1 september 1859 - 23 februari 1860)
Zaken der Rooms-Katholieke Eredienst
minister: Mr. J.W. van Romunde (cons. kath)
Zaken van de Hervormde en andere Erediensten, behalve die der Rooms-Katholieke
minister a.i.: Mr. C.H.B. Boot (cons.-liberaal) (18 maart 1858 - 3 april 1858)
minister: Dr. J. Bosscha (conservatief) (3 april 1858 - 23 februari 1860)
Minister Van Meurs treedt af vanwege kritiek op zijn beleid met betrekking tot het onder de wapenen houden van lichtingen militairen. Vanwege de oorlogssituatie in Italië worden door de Duitse Bond (een samenwerkingsverband waartoe ook Limburg behoort) legers gemobiliseerd. Een wetsvoorstel hierover wordt aangenomen, maar er is daarbij veel kritiek op de minister. Hij vraagt daarom zijn ontslag.