Dit kabinet kan worden getypeerd als een extra-parlementair intermezzo-kabinet. Er is geen directe band met partijen en er maken zowel personen van links als rechts deel van uit. De ministers zijn met uitzondering van kabinetsleider De Geer hoofdzakelijk afkomstig uit de bestuurlijk-ambtelijke wereld.
Het kabinet kan door zijn wankele basis geen politiek-gevoelige onderwerpen behandelen, maar weet wel enkele belangrijke wetten tot stand te brengen, zoals een wet over de gemeentefinanciën, de Financiële-Verhoudingswet. Mede dankzij het gunstige economische tij komt het kabinet ook nauwelijks in de problemen. Er is zelfs ruimte voor enige belastingverlaging.
Het kabinet wordt niet erg enthousiast begroet. Door de Katholieken niet, omdat het gezantschap bij de Paus, waarover het vorige kabinet is gevallen, niet tot halszaak wordt gemaakt. Het kabinet zal zich bij een besluit van de Kamer neerleggen. De antirevolutionairen zijn verbolgen over het feit dat De Geer minister-president Colijn heeft verdrongen. De Geer heeft als demissionair minister zijn eigen minister-president er niet van op de hoogte gesteld dat hij een kabinet aan het formeren is en dat neemt de ARP hem zeer kwalijk.
Oorlog
minister: L.A. van Roijen (lib.-partijloos) (8 maart 1926 - 24 april 1926)
minister: J.M.J.H. Lambooy (rksp) (24 april 1926 - 1 september 1928)
Marine
minister a.i.: L.A. van Roijen (lib.-partijloos) (8 maart 1926 - 24 april 1926)
minister a.i.: J.M.J.H. Lambooy (rksp) (24 april 1926 - 1 september 1928)
Defensie
minister: J.M.J.H. Lambooy (rksp) (1 september 1928 - 10 augustus 1929)
Al na een maand treedt minister Van Roijen van Oorlog en Marine af, omdat hij het niet eens is met de samenvoeging van de beide militaire departementen tot een nieuw ministerie van Defensie. Hij wordt opgevolgd door de katholieke J.M.J.H. Lambooy, die ook al minister was in het vorige kabinet. De opneming van een tweede katholiek wekt verbazing bij de antirevolutionairen, die De Geer ervan verdenken zijn kabinet te willen omvormen tot een rechts (d.w.z. confessioneel) coalitiekabinet.
Het kabinet 'verliest' verder zijn minister van Buitenlandse Zaken, Van Karnebeek. Hij treedt in april 1927 af, nadat de Eerste Kamer het door hem verdedigde wetsvoorstel tot goedkeuring van het Verdrag met België heeft verworpen.
Dat Verdrag is in 1920 tot stand gekomen en regelt onder meer dat er een kanaal moet komen van Antwerpen naar de Rijn. Tegen het Verdrag wordt fel actie gevoerd, waarbij onder andere ir. A.A. Mussert een leidende rol speelt. Vrijwel alle fracties zijn verdeeld, waarbij Rotterdamse afgevaardigden wel steeds tegen zijn. De partijloze Van Karnebeek wordt opgevolgd door een diplomaat van CHU-huize, jhr. Beelaerts van Blokland.
Na het uitbreken van de Vaticaancrisis krijgt allereerst VDB-leider Marchant de formatie-opdracht. Zijn fractie heeft alleen om de regering ten val te brengen vóór het amendement-Kersten gestemd. Marchant wil een kabinet vormen van RKSP, SDAP en VDB. De katholieke voorman Nolens verklaart echter dat de katholieken alleen in uiterste noodzaak samen met de sociaal-democraten willen regeren, omdat de maatschappijvisies van beide partijen te veel van elkaar verschillen. Marchant moet al na acht dagen zijn poging staken.
Hierna wordt de opdracht verleend aan de fractievoorzitter van de CHU, oud-minister De Visser. Hij onderzoekt of er een compromis kan worden gevonden over het gezantschap door bijvoorbeeld de gezant in Bern of Wenen tevens de gezantschapspost bij de paus te laten waarnemen. Zijn eigen partij wil daaraan echter niet meewerken. Zelfs een kabinet dat geen directe binding met de rechtse partijen zou hebben, kan hij niet tot stand brengen.
Hierna worden pogingen ondernomen om een zakenkabinet te vormen van personen die losser staan van de politiek. Een oud-Tweede Kamerlid van de VDB, Mr. J. Limburg, wordt daarmee belast. Hij doet dat overigens tegen de zin van zijn eigen partij. Hij weet op 26 februari 1926 inderdaad een ministersploeg bij elkaar te krijgen, maar op het allerlaatste moment strandt zijn poging vanwege de gezantschapskwestie.
Topambtenaar Kan en de liberale burgemeester van Den Haag, Patijn, worden daarna uitgenodigd een poging te ondernemen, maar zij weigeren. Zonder dat dit openbaar wordt gemaakt, vraagt de koningin op 1 maart minister De Geer de formatie ter hand te nemen. Hij bouwt voort op de poging van Limburg en slaagt na enkele dagen. Ondanks bezwaren van Nolens komt er een katholieke minister: de Roermondse burgemeester Waszink wordt minister van Onderwijs.