Dit kabinet is een voortzetting van het eerste kabinet-Ruijs de Beerenbrouck en heeft grotendeels dezelfde samenstelling. Het kabinet krijgt vanaf 1923 te maken met een economische recessie die bezuinigingen noodzakelijk maken. De minister van Financiën, Colijn, die in 1923 De Geer is opgevolgd, voert die bezuinigingen met kracht door.
Het kabinet bestaat uit ministers van de Katholieken, ARP en CHU, alsmede drie partijlozen.
Het kabinet treedt op 18 september 1922 maar, maar de ministers (ook de aftredende en daarna opnieuw benoemde) worden allemaal pas op 21 september door de konining beëdigd. De koningin was tot die dag afwezig - en dus ook op Prinsjesdag - vanwege een reis naar de scandinavische landen. Ze wilde met het ongebruikelijke ontslag benadrukken dat er een nieuw kabinet was en geen voortzetting van het eerste kabinet-Ruijs. Bij de opening van de zitting van de Staten-Generaal waren twee benoemde, maar nog nimmer beëdigde ministers (Van Swaaij en Westerveld) aanwezig.
Centrale figuur in het kabinet is (vanaf augustus 1923) minister van Financiën Colijn, die omvangrijke bezuinigingen doorvoert en onder meer een belasting op rijwielen ('het rijwielplaatje') invoert.
Op 26 oktober 1923 dient het kabinet zijn ontslag in na de verwerping van de ontwerp-Vlootwet in de Tweede Kamer. Deze wet beoogt de bouw in zes jaar van een marinevloot voor de defensie van Nederlands-Indië.
Er is daartegen veel maatschappelijk verzet. SDAP en NVV organiseren een petitionnement.
In de Tweede Kamer stemmen tien katholieken met de oppositie tegen het voorstel, waardoor het met 50 tegen 49 stemmen wordt verworpen. Na enkele mislukte pogingen tot vorming van een nieuw kabinet willigt de Koningin op 7 januari 1924 het verzoek om ontslag niet in en blijft het kabinet aan. De Vlootwetcrisis heeft 73 dagen geduurd.
Tot veler verrassing treedt in de zomer van 1923 De Geer af als minister van Financiën. Hij is het oneens met de ontwerp-Vlootwet, hoewel hij dat voorstel zelf in 1922 mede heeft ingediend. De Geer deelt het standpunt van Trip, een topambtenaar van Financiën, die de financiële consequenties te groot vindt. Er moet daarvoor voor langere tijd geld vrij worden gemaakt op de begroting, en dat acht De Geer niet verantwoord.
Zijn opvolger is ARP-leider Colijn, die in 1922 terug is gekeerd in de Tweede Kamer, na een loopbaan bij de Koninklijke Bataafsche Petroleummaatschappij, een onderdeel van de Shell.
Na de voor de rechtse partijen succesvol verlopen verkiezingen overweegt het kabinet enige tijd gewoon aan te blijven. De koningin voelt daar echter niet voor, en daarop wordt Ruijs de Beerenbrouck formateur.
Hij slaagt er in betrekkelijk korte tijd in een kabinet te vormen dat grotendeels uit dezelfde ministers bestaat als het eerste kabinet-Ruijs de Beerenbrouck.