Dit koninklijke kabinet onder leiding van de antirevolutionair Van der Brugghen weet in 1857 een nieuwe Wet op het lager onderwijs tot stand te brengen. De kabinetsleider komt door de nieuwe wet echter in conflict met de antirevolutionaire voorman Groen van Prinsterer, die uit onvrede ontslag neemt als Tweede-Kamerlid.
Het grotendeels uit conservatieven bestaande kabinet heeft een wankele basis in de Tweede Kamer. Het treedt begin 1858 af na enkele nederlagen.
De nieuwe Wet op het lager onderwijs bepaalt dat het onderwijs moet opleiden 'tot alle christelijke en maatschappelijke deugden'. Het oprichten van bijzondere scholen is vrij, maar er kan daarvoor geen rijkssubsidie worden gekregen.
Groen van Prinsterer wil openbare gezindheidscholen: protestantse, katholieke en joodse scholen die met overheidssteun worden opgericht. De openbare scholen waar nu voor is gekozen, zijn volgens hem te weinig christelijk.
Binnenlandse Zaken
minister: Dr. G. Simons (conservatief) (1 juli 1856 - 19 januari 1857)
minister: Mr. A.G.A. ridder van Rappard (conservatief) (19 januari 1857 - 18 maart 1858)
Zaken der Rooms-Katholieke Eredienst
minister: Mr. J.W. van Romunde (cons. kath) (1 augustus 1856 - 18 maart 1858)
Zaken van de Hervormde en andere Erediensten, behalve die der Rooms-Katholieke
minister: Mr. A.G.A. ridder van Rappard (conservatief) (7 januari 1856 - 19 januari 1857)
minister: Mr. M. Wiardi Beckman (conservatief) (19 januari 1857 - 18 maart 1858)