Dit kabinet van conservatieven en gematigde liberalen weet de spoorwegkwestie waarover het vorige kabinet is gevallen, op te lossen. Er komt daardoor spoorwegaanleg van staatswege, terwijl de wijze van exploitatie later bij wet zal worden geregeld.
Het kabinet wordt fel bestreden door de liberalen. Thorbecke betitelt de politiek van het kabinet als parasitisch, omdat het kabinet volgens hem geen vaste koers heeft, maar steeds andere meerderheden zoekt.
Onenigheid in het kabinet over het koloniale beleid en een geschil over het voorzitterschap van de ministerraad leiden tot de val van het kabinet.
Financiën
minister: Mr. F.A. baron van Hall (cons. lib.) (23 februari 1860 - 23 februari 1861)
minister a.i.: Mr. J.S. Lotsy (liberaal) (23 februari 1861 - 14 maart 1861)
In december 1860 verwerpt de Tweede Kamer de begroting van Koloniën uit onvrede over de conservatieve koers van minister Rochussen, waarop deze aftreedt.
Ook de minister van Buitenlandse Zaken treedt af vanwege de koloniale politiek.
Vanwege een geschil over het voorzitterschap van de ministerraad, treedt van Hall af. Het voorzitterschap wordt in deze tijd nog bij toerbeurt door de ministers bekleed. Van Hall wil echter permanent voorzitter worden.