Voornaamste winnaar van de Tweede Kamerverkiezingen van 1933 is de ARP, die met Hendrik Colijn aan het hoofd twee zetels wint. Net als in 1925 geldt hij als sterke man, die Nederland uit de crisis moet leiden. Naast de heersende economische crisis, met massawerkloosheid, spelen ook de internationale situatie en de ondermijning van het gezag daarbij een grote rol. De Nazi's zijn op 30 januari 1933 in Duitsland aan het bewind gekomen en op het marineschip 'De Zeven Provinciën' in de wateren bij Nederlands-Indië vindt enkele dagen daarna een muiterij plaats, die veel beroering veroorzaakt.
De vervroegde verkiezingen geven in tegenstelling tot in 1929 wel de nodige verschuivingen te zien. Opvallend is echter vooral het grote aantal partijen dat aan de verkiezingen deelneemt: 54. Daaronder zijn enkele rechts-extremistische, zoals de Fascistenbond, maar die behalen geen zetel.
Toch behoren kleinere partijen ter linker- en rechterzijde tot de winnaars. Links is dat de Revolutionair-Socialistische Partij (RSP) van Henk Sneevliet, die met één zetel in de Kamer komt. En ook de communisten winnen: twee zetels. Daardoor is er voor het eerst een Indonesiër, Roestam Effendi, gekozen.
Ter rechterzijde wint het op een sterk gezag hamerende Verbond voor Nationaal Herstel (VNH) een zetel. De lijsttrekker, generaal Snijders, neemt overigens zelf geen zitting.
De winst van de splinterpartijen gaat ten koste van gevestigde partijen. De SDAP en de RKSP verliezen twee zetels; de CHU, de VDB en de Liberale "Vrijheidsbond" verliezen er één.
Van de kleine partijen handhaven SGP, HGSP en Plattelandersbond (ditmaal onder de naam Nederlandse Boeren-, Tuinders- en Middenstandsbond, NBTMB) zich. Alleen Floris Vos keert niet terug, maar hij was ook geen kandidaat meer.
Na de verkiezingen wordt een centrumrechts crisiskabinet gevormd onder leiding van Colijn.