De verkiezingen van 1918 zijn de eerste waarbij alle mannen mogen meestemmen. Het zijn tevens de eerste verkiezingen volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Er wordt niet meer per district gestemd volgens een meerderheidsstelsel, maar kiezers brengen hun stem uit op een persoon die op een kandidatenlijst van een partij staat. Alle uitgebrachte stemmen tellen mee voor de zetelverdeling.
De verkiezingen leiden tot grote verschuivingen. De confessionele ('rechtse') partijen, RKSP, ARP en CHU, komen van 46 op 50 zetels. Samen met twee christelijke splinterpartijen (de Christen-Democratische Partij en Christelijk-Sociale Partij) krijgen ze een meerderheid van 52.
De liberalen verliezen zwaar. Hadden de twee liberale partijen, Liberale Unie en de Bond van Vrij-Liberalen, in 1917 nog 31 zetels, nu komen ze op tien. Samen met drie kleinere liberale partijen, die eveneens zetels hebben gehaald, bedraagt hun zeteltal toch slechts 15 zetels. De links-liberale Vrijzinnig-Democratische Bond verliest drie zetels en komt op vijf.
Ter linkerzijde wint de SDAP zeven zetels (van 15 naar 22 zetels). Die winst is echter veel kleiner dan waarop was gehoopt. Bovendien krijgt de SDAP ter linkerzijde concurrentie van communisten, christen-socialisten en anarchisten (samen vier zetels). De SDAP krijgt (voorlopig) als enige een vrouwelijk Kamerlid, Suze Groeneweg.
Dat de Kamer zo versplinterd is, komt mede door de nieuwe kiesregeling die een lage kiesdrempel (50% van de kiesdeler) kent bij de verdeling van restzetels. De kleinste partij, het Verbond democratisering der Weermacht, weet met 6.830 stemmen een zetel te halen, terwijl de kiesdeler ruim 13.000 was.
Ook het stelsel van voorkeurstemmen heeft onbedoelde effecten. De volgorde van de lijst wordt sterk bepaald door het aantal stemmen dat een kandidaat heeft gekregen, zonder dat daarbij een drempel geldt. Lager geplaatsten hebben daardoor veel kans om een zetel te behalen. Liefst zeven kandidaten worden zodoende met voorkeursstemmen gekozen.