Dit kabinet is voorlopig het laatste met een rooms-rode samenwerking. De kabinetsperiode kenmerkt zich door voortdurend oplopende spanningen tussen KVP en PvdA. Ten slotte barst in december 1958 de bom als de Tweede Kamer een door minister Hofstra onaanvaardbaar verklaard amendement aanneemt.
Het kabinet bestaat uit ministers van de PvdA, KVP, ARP en CHU. Minister-president Drees is afkomstig uit de PvdA.
Als gevolg van belangrijke loonstijgingen en belastingverlagingen is er overbesteding ontstaan en dreigt de export in gevaar te komen. Door een 'bestedingsbeperking' vanaf 1957 moet de 'tering naar de nering' worden gezet. Zowel de inkomens van de burgers als de uitgaven en investeringen van de overheid worden gematigd.
De invoering van de AOW per 1 januari 1957, ter vervanging van de Noodwet-Drees uit 1947, geeft iedereen vanaf zijn 65e een pensioen.
Tijdens de kabinetsformatie van 1956 bereikt de Greet Hofmansaffaire een hoogtepunt. Een commissie van drie wijze mannen weet een crisis aan het Hof te voorkomen, doordat de spirituele genezeres Greet Hofmans van Soestdijk verdwijnt en de hofhouding wordt gereorganiseerd.
Internationale spanningen spelen een belangrijke rol in deze kabinetsperiode. Eind 1956 leiden een crisis rond het Suezkanaal en een opstand tegen het Stalinistische bewind in Hongarije tot internationale monetaire en economische problemen. De Suezcrisis doet de regering besluiten tot het instellen van autoloze zondagen, omdat benzineschaarste dreigt.
De onderdrukking van de Hongaarse opstand door Sovjet-troepen roept in ons land heftige reacties op en leidt tot plundering van kantoren van de CPN en aan haar gelieerde instellingen. Er worden enkele duizenden Hongaarse vluchtelingen opgenomen.
Op 25 maart 1957 ondertekent minister Luns namens de regering de Verdragen van Rome, waarmee onder meer de Europese Economische Gemeenschap wordt opgericht. Hiermee wordt een verdere stap gezet naar economische integratie in West-Europa. In 1958 wordt in Den Haag een verdrag ondertekend over instelling van de Benelux-economische unie, waardoor de grenzen tussen Nederland, België en Luxemburg geleidelijk zullen verdwijnen.
Vooral de positie van Nieuw-Guinea leidt tot spanningen met Indonesië. Dat land staakt in 1957 de aflossingen van de schulden aan Nederland en nationaliseert dat land Nederlands bezit. 50.000 (Indische) Nederlanders moeten Indonesië verlaten.
Ten slotte komt in 1958 het Televisiebesluit over de zendtijdverdeling tot stand, waarin wordt bepaald dat de Nederlandse Televisie Stichting (NTS) ten minste een kwart en ten hoogste de helft van de zendtijd krijgt toegewezen; ook kerkgenootschappen krijgen enige zendtijd.
Binnenlandse Zaken
minister: J.G. Suurhoff (pvda) (13 oktober 1956 - 29 oktober 1956)
Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie
minister: Mr. A.A.M. Struycken (kvp) (29 oktober 1956 - 22 december 1958)
staatssecretaris: Drs. W.K.N. Schmelzer (kvp) (29 oktober 1956 - 22 december 1958)
Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
minister: Mr. J.M.L.Th. Cals (kvp)
staatssecretaris: Dr. A. de Waal (kvp) (13 oktober 1956 - 17 maart 1957)
staatssecretaris: Mr. R.G.A. Höppener (kvp) (12 november 1956 - 22 december 1958)
Oorlog
minister: Ir. C. Staf (chu)
staatssecretaris: Mr. F.J. Kranenburg (pvda) (13 oktober 1956 - 1 juni 1958)
staatssecretaris: M. van Veen (pvda) (25 oktober 1958 - 22 december 1958)
Volkshuisvesting en Bouwnijverheid
minister: Ir. H.B.J. Witte (kvp)
Verkeer en Waterstaat
minister: Mr. J. Algera (arp) (13 oktober 1956 - 10 oktober 1958)
minister a.i.: Ir. H.B.J. Witte (kvp) (10 oktober 1958 - 1 november 1958)
minister: Mr. J. van Aartsen (arp) (1 november 1958 - 22 december 1958)
Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening
minister: Dr. S.L. Mansholt (pvda) (13 oktober 1956 - 1 januari 1958)
minister a.i.: Ir. C. Staf (chu) (1 januari 1958 - 11 januari 1958)
minister: Dr. A. Vondeling (pvda) (11 januari 1958 - 22 december 1958)
In januari 1958 stapt minister Mansholt over naar de Europese Commissie. Zijn partijgenoot, het Tweede Kamerlid Vondeling, volgt hem op. Minister Algera treedt in oktober 1958 vanwege gezondheidsredenen af. Hij wordt opgevolgd door de Haagse wethouder Van Aartsen.
De enige bewindspersoon die om politieke redenen aftreedt, is staatssecretaris Kranenburg (PvdA) van Oorlog. Er is in beide Kamers ernstige kritiek op zijn aanschaffingsbeleid, omdat de Landmacht ondeugdelijke helmen heeft gekocht. Nadat een meerderheid van de Eerste Kamer hem vraagt zich op zijn positie te beraden, treedt hij in juni 1958 af. De oud-burgemeester van Enschede, Van Veen, volgt hem op.
Deze formatie is de tot dan toe langste en moeilijkste uit de parlementaire geschiedenis. De opgelopen spanningen tussen KVP en PvdA zijn daar debet aan. Had de VVD bij de vorige formatie nog gezegd niets meer te zien in samenwerking in een brede basis, deze keer zetten zij de deur weer op een kier. Ook liet de verkiezingsuitslag ruimte voor allerlei verschillende coalities.
Achtereenvolgens pogen Drees (PvdA), Romme (KVP), Lieftinck (PvdA), De Gaay Fortman (ARP) en Burger een kabinet te vormen. Zowel Lieftinck als De Gaay Fortman probeert een opening te creëren door op zoek te gaan naar een andere socialistische premier, die minder dan Drees met de PvdA wordt vereenzelvigd. Ook wordt gekeken of een kabinet van alleen christendemocraten kan worden gevormd, met minder uitgesproken politieke figuren.
Lange tijd is een geschil van inzicht tussen KVP en PvdA over de bezitsvorming een struikelblok. Daarnaast zijn er problemen bij de bezetting van posten, onder andere omdat de ARP zich ondervertegenwoordigd acht.
Ten slotte weet Burger overeenstemming te bereiken over een vijfpartijenkabinet, met PvdA, KVP, CHU, ARP en VVD. Bij het touwtrekken over de ministersposten trekt de VVD zich echter terug. Ten opzichte van het vorige kabinet zijn er uiteindelijk slechts geringe wijzigingen.
De KVP krijgt toch een post in de financieel-economische sector, doordat Struycken vicepremier en minister van Binnenlandse Zaken wordt en tevens de verantwoordelijkheid voor bezitsvorming en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie krijgt toebedeeld. Hij wordt bij die taak bijgestaan door zijn staatssecretaris, de jonge econoom Norbert Schmelzer.