| - | |
eigenaar handelshuis "Gogel, Pluvinot en Gildemeester" te Amsterdam, vanaf 1791 (oprichter) |
| - | |
agent van Financiën, van 22 januari 1798 tot 2 oktober 1801 |
| - | |
agent van Buitenlandse Zaken ad interm, van 7 april 1798 tot 2 oktober 1798 |
| - | |
waarnemend voorzitter Intermediair Uitvoerend Bewind, van 12 juni 1798 tot 14 augustus 1798 |
| - | |
agent van Binnenlandse Zaken ad interim, van 19 juni 1801 tot 4 juli 1801 |
| - | |
koopman te Amsterdam, vanaf 1801 (had belangen in diverse Amsterdamse koopmanshuizen) |
| - | |
secretaris van Staat van Financiën, van 1 mei 1805 tot 5 juni 1806 |
| - | |
minister van Financiën, van 5 juni 1806 tot 27 mei 1809 |
| - | |
lid Staatsraad in buitengewone dienst, van 1809 tot 1810 |
| - | |
lid Raad voor de Zaken van Holland te Parijs, van 22 juli 1810 tot 29 oktober 1810 |
| - | |
lid Staatsraad (Conseil d'Etat) in buitengewone dienst te Parijs, van 1810 tot 1 mei 1814 |
| - | |
intendant-generaal van het Keizerrijk Frankrijk voor de financiën en schatkist in Holland, van 30 oktober 1810 tot 16 november 1813 |
| - | |
eigenaar blauwselfabriek te Overveen |
| - | |
lid Raad van State in buitengewone dienst, van januari 1821 tot 13 juni 1821 |
| - | |
Ontwierp in 1799 een belastingwet, die in 1801 werd aangenomen door het Vertegenwoordigende Lichaam; door de staatsgreep van 1801 kwam het niet tot uitvoering ervan. De wet beoogde de belastingdruk in de verschillende provincies gelijk te trekken. |
| - | |
Ontwierp in 1805 een nieuw belastingstelsel, dat in 1806 in werking trad. Er vond in de landprovincies een verhoging van de tarieven plaats tot het Hollandse niveau en er kwam een centraal geleid ambtelijk apparaat voor de inning. Door de Patentwet werd, tegen betaling, uitoefening van bijna alle beroepen vrij. De gilden werden afgeschaft. |
| - | |
Er kwam verder een grondbelasting van 25% van de huurwaarde van de grond. Om tot snelle inning over te gaan, werden polders en gemeenten en bloc aangeslagen, waarna ze zelf voor verdere verdeling moesten zorgen. |
| - | |
Een personele belasting werd geheven op de huurwaarde van huizen en landerijen, alsmede op dienstboden, meubilair, paarden, rijtuigen en jachten. |
| - | |
Een zegelrecht werd geheven op alle vormen van transacties en op effecten en coupons. |
| - | |
Hij voerde daarnaast accijnzen in op zout, zeep, turf, gemaal (meel), sterke dranken en geslacht vee. Daarmee drukte de belastingen vooral op producten die niet direct tot de eerste levensbehoeften behoorden. |
| - | |
Schafte de stedelijke en gewestelijke tollinies zoveel mogelijk af om vrij binnenlands verkeer mogelijk te maken. Voerde in plaats daarvan in- en uitvoerrechten aan de landsgrenzen in. |
| - | |
Bracht in 1806 de Patentwet tot stand |
| - | |
Trad in 1809 af, omdat de koning diverse taken van het ministerie van Financiën verzelfstandigde en de minister de zeggenschap daarover ontnam, namelijk Schatkistbeheer, Amortisatiefonds, Publieke Schuld, Domeinen en Douane |
| - | |
Was mede verantwoordelijk voor de totstandkoming van de Nationale Konstgallerij, voorloper van het Rijksmuseum. Het genationaliseerde kunstbezit van de stadhouder vormde hiervoor grotendeels de basis. |