| - | |
gouverneur van Breda, van 1790 tot 1795 |
| - | |
kapitein-generaal en bevelhebber leger Verenigde Nederlanden, van 1793 tot 18 januari 1795 |
| - | |
landeigenaar in Silezië |
| - | |
officier in Pruisische krijgsdienst, tot 23 augustus 1807 |
| - | |
vorst bisdom Fulda, abdijen Corvey en Weingarten en rijkssteden Dortmund, Issny en Buchhorn, van 3 juli 1802 tot oktober 1806 |
| - | |
vorst van Nassau, van 9 april 1806 tot oktober 1806 |
| - | |
bevelhebber rechtervleugel Pruisische leger, van september 1806 tot oktober 1806 |
| - | |
krijgsgevangene, oktober 1806 (kortstondig) |
| - | |
soeverein vorst der Verenigde Nederlanden, van 6 december 1813 tot 16 maart 1815 (inhuldiging 30 maart 1814) |
| - | |
Gouverneur-Generaal uit naam der geallieerden in de zuidelijke Nederlanden, van 31 juli 1814 tot 21 september 1815 |
| - | |
koning der Nederlanden, van 16 maart 1815 tot 7 oktober 1840 (inhuldiging 21 september 1815 te Brussel) |
| - | |
hertog van Luxemburg, van 17 maart 1815 tot 9 juni 1815 |
| - | |
groothertog van Luxemburg, van 9 juni 1815 tot 7 oktober 1840 |
| - | |
beschermheer (Koninklijk) Nederlandsch Instituut van Wetenschappen te Amsterdam |
| - | |
protector Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem |
| - | |
protector Het Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam |
| - | |
beschermheer Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden |
| - | |
beschermheer Genootschap der Beschouwende en Werkdadige Wis-, Bouw-, Natuur-, Reken- en Tekenkunde, onder de zinspreuk 'Mathesis Scientiarum Genitrix' te Amsterdam |
| - | |
protector Nederlandsche Huishoudelijke Maatschappij te Haarlem |
| - | |
protector Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen |
| - | |
beschermheer Koninklijke Academie van Wetenschappen en Fraaije Letteren te Brussel, van 1815 tot 1830 |
| - | |
beschermheer Koninklijke Academiën van beeldende kunsten te Amsterdam en Antwerpen |
| - | |
beschermheer Koninklijke Maatschappij ter aanmoediging der Schoone Kunsten te Brussel, van 1815 tot 1830 |
| - | |
beschermheer Maatschappij van vrije nastreving en ter aanmoediging van Schoone Kunsten te Luik, van 1815 tot 1830 |
| - | |
beschermheer Koninklijke Maatschappij van Landbouw en Kruidkunde te Gent, van 1815 tot 1830 |
| - | |
beschermheer Koninklijke Maatschappij van Vaderlandsche Taal- en Letterkunde te Brugge, van 1815 tot 1830 |
| - | |
beschermheer Maatschappij voor Natuur- en Letterkunde 'Diligentia' te 's-Gravenhage |
| - | |
beschermheer Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen te Utrecht |
| - | |
Trachtte in 1795 en 1796 tevergeefs van Engeland en Pruisen steun te krijgen voor de strijd tegen de Bataafse Republiek |
| - | |
Sloot zich in september 1799 aan bij een Engels-Russische expeditie in Noord-Holland, maar moest na het mislukken daarvan terugkeren naar Engeland |
| - | |
Organiseerde op Wight de "Dutch Brigade"; deze werd later ontbonden |
| - | |
Vocht in 1809 aan de zijde van Oostenrijk mee tegen de Fransen en raakte bij de slag bij Wagram (juli 1809) gewond |
| - | |
Aanvaardde op 2 december 1813 op verzoek van Kemper, Fannius Scholten en Falck als soeverein vorst de regering "onder waarborging eener wijze Constitutie" |
| - | |
Benoemde in december 1813 en maart 1815 commissies onder leiding van G.K. van Hogendorp die een Grondwet moesten ontwerpen |
| - | |
Besloot in december 1813 een Staatsblad in het leven te roepen, waarin alle wetten, proclamatiën en soevereine besluiten bekend moeten worden gemaakt. Tevens werd besloten van staatswege een Staatscourant uit te geven, waarin onder meer alle ministeriële besluiten, benoemingen en aanschrijvingen, alsmede officiële advertenties en berichten moeten worden bekendgemaakt. |
| - | |
Richtte in 1814 de De Nederlandsche Bank op |
| - | |
Voerde in 1814 de dienstplicht in |
| - | |
Op 21 juni 1814 werden in Londen de "Acht geheime artikelen" overeengekomen, waardoor de Zuidelijke Nederlanden met (Noord-)Nederland werden verenigd. Het groothertogdom Luxemburg komt eveneens (in personele unie) onder de soevereiniteit van Willem Frederik en diens (mannelijke) opvolgers. Luxemburg blijft deel uitmaken van de Duitse Bond. |
| - | |
Bracht in 1814 een wet tot herstel van de nationale schuld en tot vinding der fondsen benoodigd tot stijving van 's lands kas tot stand |
| - | |
Bracht in 1814 de Instructiewet voor de Algemene Rekenkamer tot stand. Deze bepaalt dat de Rekenkamer uit 13 leden bestaat en dat het presidentschap om de drie maanden wisselt. De Rekenkamer krijgt het oppertoezicht over de invordering van 's Lands gelden en de rechtmatigheid van uitgaven. De Rekenkamer kan aanbevelingen doen over de doelmatigheid van uitgaven. |
| - | |
Stelde in 1815 de Militaire Willemsorde en de Orde van de Nederlandse Leeuw in |
| - | |
Kwam in 1815 met wetgeving waardoor de persvrijheid enigszins werd beknot |
| - | |
Stelde in 1816 een Algemeen Reglement voor de Nederlandse Hervormde Kerk op |
| - | |
Verleende elke woensdagmorgen op paleis Noordeinde "Openbaar Gehoor" |
| - | |
Regeerde veelal via besluiten |
| - | |
Kon dankzij de zgn. Blanketwet van 1818 strafsancties van toepassing verklaren op het niet naleven van Algemene Maatregelen van Bestuur |
| - | |
Ontnam in 1819 Van Hogendorp de titel "minister van Staat" wegens diens kritiek op zijn beleid |
| - | |
Bevorderde de welvaart door opheffing van tollen en heffingen, door opheffing van de gilden en door oprichting van financieringsmaatschappijen (o.a. Algemene Nederlandsche Maatschappij ter begunstiging van de volksvlijt, 1822 en Nederlandsche Handel-Maatschappij, 1824) |
| - | |
Nam het initiatief tot het graven van het Noord-Hollands Kanaal (1819-1825), de Zuid-Willemsvaart (1822-1826), het Kanaal van Gent naar Terneuzen (1825-1827), het Voornse Kanaal (1827-1829), het Apeldoorns Kanaal (1828) en het Kanaal Brussel-Charleroi (1827-1830) |
| - | |
Vaardigde in 1819 het Taalbesluit uit, waardoor na 1823 in Vlaanderen alleen Nederlands mocht worden gesproken |
| - | |
Bracht in 1819 een nieuwe Tariefwet tot stand |
| - | |
Voerde in 1821 een nieuw belastingstelsel in, waartegen in het Zuiden grote bezwaren bestonden |
| - | |
Richtte in 1822 het Amortisatie-Syndicaat op |
| - | |
Tegen zijn financiële beleid ontstond oppositie in de Tweede Kamer (o.a. verwerping begrotingen in 1819 en 1829) |
| - | |
Vaardigde in 1822 het zgn. conflictenbesluit uit, waardoor conflicten over de competentie van rechtbanken inzake administratieve zaken aan de koning moesten worden voorgelegd |
| - | |
Stelde in 1823 een ministerraad in, waarvan hijzelf voorzitter was |
| - | |
Trachtte via zijn provinciale gouverneurs de verkiezing van Tweede-Kamerleden te beïnvloeden |
| - | |
Richtte in 1825 een staatsschool voor priesteropleiding, het Collegium Philosophicum, op, maar moest deze in januari 1830 sluiten vanwege tegenwerking van de katholieke kerk. |
| - | |
Stichtte in 1826 de Koninklijke Militaire Academie |
| - | |
Sloot in 1827 een concordaat met de paus over het bestuur van de katholieke kerk in Nederland, waarvan in de praktijk echter weinig terecht kwam |
| - | |
Bracht in 1829 een wet tot stand houdende algemene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk. Deze bepaalt dat wetten pas bindend zijn als ze behoorlijk zijn afgekondigd. Voorts dat wetten, tenzij anders bepaald, op de 20ste dag na dagtekening van het Staatsblad in werking treden. Rechters moeten volgens de wet rechtspreken, zonder de waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. |
| - | |
Bracht in 1829 een wet tot stand tot beteugeling van onrust en kwaadwilligheid en inzake persdelicten |
| - | |
Stichtte in 1829 het Koninklijk Instituut voor de Marine (te Medemblik) |
| - | |
Stelde in januari 1830 een grondwetscommissie in o.l.v. staatsraad Van Pabst van Bingerden en in 1831 een geheime commissie-Canneman |
| - | |
Formeerde in 1830 een Oostindisch Leger voor de gezagsuitbreiding in de buitengewesten van Nederlands-Indië |
| - | |
Legde op 13 september 1830 de Staten-Generaal twee vragen voor. Ten eerste of er noodzaak was om de nationale instellingen te wijzigen en ten tweede of de betrekkingen tussen Noord en Zuid moesten worden veranderd. Op de eerste vraag antwoordde in de Tweede Kamer 50 leden met 'ja' en 44 met 'nee' (bij 6 onthoudingen). Op de tweede vraag antwoordde 55 leden met 'ja' en 43 met 'nee' (bij 2 onthoudingen). In de Eerste Kamer werden beide vragen tezamen door 31 leden met 'ja' en 7 met 'nee' beantwoord. |
| - | |
Vaardigde op 5 oktober 1830 een proclamatie uit, waarin de afscheiding van de zuidelijke Nederlanden de facto werd bevestigd |
| - | |
Zond op 1 augustus 1831 een leger onder bevel van zijn zoon naar België (Tiendaagse Veldtocht). Ondanks overwinningen moest dit leger zich vanwege Franse interventies terugtrekken. Het militaire optreden leidde wel tot gunstiger vredesvoorwaarden voor Nederland (de 24 artikelen van oktober 1831). |
| - | |
Op 21 mei 1833 kwam in Londen een wapenstilstand tot stand |
| - | |
Keerde zich tegen de in 1834 ontstane Afscheiding in de Nederlandse Hervormde Kerk |
| - | |
Stelde in 1836 een onderzoekscommissie in naar de aanleg van de spoorlijn Amsterdam-Arnhem |
| - | |
Stelde in 1837 een commissie in die droogmaking van de Haarlemmermeer moest onderzoeken |
| - | |
Accepteerde uiteindelijk in maart 1838 de '24 artikelen van oktober 1831'. Hierdoor werd de onafhankelijkheid van België aanvaard. Tevens werden Limburg en Luxemburg gesplitst. Het Nederlandstalige deel van Limburg komt bij Nederland en het Duitstalige deel van Luxemburg wordt een zelfstandig groothertogdom, in personele unie onder het Huis van Oranje-Nassau. Ook België berustte hier in april 1839 in. |
| - | |
Voerde in 1838 een Burgerlijk Wetboek, Wetboek van Koophandel en Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in |
| - | |
Tijdens zijn bewind werd in 1839 de eerste spoorlijn (Haarlem-Amsterdam) geopend |
| - | |
Moest in 1839 toestemmen in het ontslag van de ministers Van den Bosch en Beelaerts van Blokland nadat de Tweede Kamer zich tegen hun financiële voorstellen had gekeerd |
| - | |
Stemde in 1840 toe in een Grondwetsherziening. Door deze herziening wordt de Grondwet aangepast aan de afscheiding van België. Er koment 58 Tweede-Kamerleden (waaronder drie uit Limburg). Verder wordt o.a. de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd en worden Noord- en Zuid-Holland gesplitst. |
| - | |
Maakte op 7 oktober 1840 in een proclamatie zijn aftreden bekend. De beide akten van afstand (voor Nederland en Luxemburg) werden dezelfde dag op Paleis Het Loo getekend. |