| - | |
student assistent vakgroep rechtssociologie, juridische faculteit Vrije Universiteit te Amsterdam, van 1986 tot 1987 |
| - | |
stafmedewerker directie Kunsten, ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, van 1987 tot 1988 |
| - | |
hoofd stafbureau Kunsten, ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, van 1988 tot 1990 |
| - | |
algemeen secretaris Raad voor de Kunst, van 1990 tot 1995 |
| - | |
interim-manager van de fusie van de Mediaraad, Raad voor het Cultuurbeheer, Raad voor de Kunst en Raad van Advies voor Bibliotheekwezen en Informatieverzorging, van 1994 tot 1995 |
| - | |
algemeen secretaris Raad voor Cultuur, van 1995 tot 1998 |
| - | |
part-time projectleider politieke uitgangspunten, ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 1997 tot 1998 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 19 mei 1998 tot 22 juli 2002 |
| - | |
staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (belast met Europese samenwerking en internationaal cultuurbeleid), van 22 juli 2002 tot 7 juli 2006 (in het buitenland mocht hij de titel "Minister for European Affairs" voeren) |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 30 januari 2003 tot 27 mei 2003 |
| - | |
minister zonder Portefeuille (minister voor bestuurlijke vernieuwing en Koninkrijksrelaties), van 7 juli 2006 tot 22 februari 2007 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, vanaf 30 november 2006 |
| - | |
Was als staatssecretaris belast met aangelegenheden betreffende 1. de coördinatie van Europese onderwerpen, inclustief bilaterale onderwerpen; 2. de Europese integratie; 3. het budgetdesk van de Ecofin-raad; 4. het interne marktdeel van de Concurrentievermogen-raad; 5. het internationaal cultuurbeleid; 6. de coördinatie van het internationaal milieubeleid; 7. andere onderwerpen, voor zover de minister de behandeling daarvan niet aan zichzelf voorbehield. |
| - | |
Was als minister belast met 1. bestuurlijke vernieuwing, waaronder referendum, dualisering gemeente- en provinciebestuur en de gekozen burgemeester en het kiesstelsel; 2. Constitutionele zaken (inclusief het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden), met uitzondering van hoofdstuk 2, paragraaf 1 van de Grondwet, hoofdstuk 4 van de Grondwet en hoofdstuk 7 van de Grondwet (uitgezonderd de voorgenomen veranderingen van de aanstellingswijze van de burgemeester en het kiesrecht). Wat betreft paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Grondwet is de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties de eerste en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tweede ondertekenaar; 3. Organisatie en kwaliteit van de rijksdienst, waaronder het informatiebeleid van de openbare sector, de doorlichting van regelgeving en lastendruk voor burgers en overheden, waaronder de specifieke uitkeringen, de doorlichting van staand beleid en van zelfstandige bestuursorganen en het stelsel van adviesraden; 4. Grotestedenbeleid; 5. Koninkrijksrelaties (de samenwerking met de landen van het Koninkrijk, waaronder hoofdstuk IV van de rijksbegroting); 6. De Europese Unie, voor wat betreft de onderwerpen binnen het ministerie, waaronder de Europese Conventie en de daarop volgende Intergouvernementele Conferentie, uitmondend in een nieuw Verdrag van de Europese Unie. |
| - | |
Was als staatssecretaris voor Europese zaken coördinator van de toetredingsonderhandelingen met de tien nieuwe lidstaten in 2002/2003 en met Bulgarije, Roemenië en Turkije in 2003/2004 |
| - | |
Speelde een belangrijke rol bij de onderhandelingen over een Europese Grondwet |
| - | |
Was verantwoordelijk voor de coördinatie van het Nederlandse EU-voorzitterschap in 2004 en van het akkoord over de Financiële Perspectieven in 2005. |
| - | |
Was in 2005 de eerstverantwoordelijke voor de overheidscampagne rond het referendum over het Europees Verdrag (Europese Grondwet). Zette zich tevergeefs in voor aanvaarding van dat verdrag. Wilde na de nederlaag opstappen als staatssecretaris, maar werd hiervan weerhouden. |
| - | |
Kondigde in 2006 als minister voor bestuurlijke vernieuwing intrekking aan van het wetsvoorstel tot verlaging van de kiesdrempel naar 12,5 procent van de kiesdeler. Zag ook af van het eerder aangekondigde voornemen om spreiding van gemeenteraadsverkiezingen mogelijk te maken. |
| - | |
Verdedigde in 2006 in de Eerste Kamer met succes een voorstel in eerste lezing tot herziening van de Grondwet, waardoor het voorzitterschap van gemeenteraden en provinciale staten wordt gedeconstitutionaliseerd. |
| - | |
Wist als minister voor Koninkrijksrelaties op 3 november 2006 een akkoord te bereiken over wijziging van de staatkundige verhoudingen met de Antillen. Daarbij is voorzien dat Curaçcao en Sint Maarten een zelfstandige status krijgen in het Koninkrijk en Bonaire, Sint Eustatius en Saba 'gemeenten' worden, waar deels de Nederlandse wetgeving van toepassing zal worden. Er zijn afspraken gemaakt tussen Nederland en Curaçao en Sint Maarten over een gezamenlijk justitie- en anti-corruptiebeleid. Een groot deel (80 procent) van de Antilliaanse schuld door Nederland zal worden overgenomen. Op 28 november 2006 verwierp de Eilandsraad van Curaçao het akkoord. |