| - | |
ambteloos, van 1820 tot 1822 (reisde door Duitsland) |
| - | |
privaat-docent in de wijsbegeerte en geschiedenis te Giessen, van 1822 tot 1823 |
| - | |
ambteloos burger te Amsterdam, van 1824 tot mei 1825 |
| - | |
buitengewoon hoogleraar politieke en diplomatieke geschiedenis en statistiek, Universiteit te Gent, van 1825 tot 1830 |
| - | |
ambteloos, van 1830 tot maart 1831 |
| - | |
hoogleraar diplomatie en staatkundige geschiedenis, Hogeschool te Leiden, van maart 1831 tot 1834 |
| - | |
hoogleraar rechtsgeleerdheid, Hogeschool te Leiden, van 1834 tot 31 oktober 1849 |
| - | |
buitengewoon lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Holland, van 5 augustus 1840 tot 5 september 1840 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Zuid-Holland, van 21 mei 1844 tot 19 oktober 1845 |
| - | |
voorzitter Staatscommissie tot herziening van de Grondwet, van 17 maart 1848 tot 11 april 1848 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Zuid-Holland, van 17 oktober 1848 tot 13 februari 1849 |
| - | |
lid Raad van State in buitengewone dienst, van 3 juni 1848 tot 31 oktober 1849 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Leiden, van 13 februari 1849 tot 31 oktober 1849 |
| - | |
minister van Binnenlandse Zaken, van 1 november 1849 tot 19 april 1853 |
| - | |
voorzitter van de ministerraad, van 1 november 1849 tot april 1853 (formeel tijdelijk) |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Maastricht, van 27 juni 1853 tot 17 september 1856 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Deventer, van 17 september 1856 tot 31 januari 1862 |
| - | |
minister van Binnenlandse Zaken, van 31 januari 1862 tot 10 februari 1866 |
| - | |
voorzitter van de ministerraad, van februari 1862 tot februari 1866 (formeel tijdelijk) |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Groningen, van 14 maart 1866 tot 1 oktober 1866 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Assen, van 19 november 1866 tot 3 januari 1868 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Assen, van 25 februari 1868 tot 4 januari 1871 |
| - | |
minister van Binnenlandse Zaken, van 4 januari 1871 tot 4 juni 1872 |
| - | |
voorzitter van de ministerraad, van januari 1871 tot 4 juni 1872 (formeel tijdelijk) |
| - | |
Stemde in 1840 met tien anderen tegen alle voorstellen tot Grondwetsherziening |
| - | |
Behoorde in 1844 tot de 28 leden die vóór het ontwerp-Adres van Antwoord stemde, waarin werd aangedrongen op grondwetsherziening |
| - | |
Nam op 2 december 1844 met acht geestverwanten (de "Negenmannen") het initiatief tot herziening van de Grondwet (invoering ministeriële verantwoordelijkheid en rechtstreekse verkiezingen Tweede Kamer volgens census-kiesrecht). De Tweede Kamer besloot op 31 mei 1845 met 34 tegen 21 stemmen het voorstel niet in behandeling te nemen. |
| - | |
Behoorde in 1844 tot de meerderheid die tegen een wetsvoorstel stemde over het doen van huiszoekingen in het kader van de accijns op vlees. Het wetsvoorstel werd met 27 tegen 26 stemmen verworpen. |
| - | |
Behoorde in 1845 tot de meerderheid die tegen het wetsvoorstel inzake onteigening ten algemene nutte stemde. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 20 stemmen verworpen. |
| - | |
Diende in 1853 met acht anderen een initiatiefwetsvoorstel in tot afschaffing van het tonnengeld en de accijns op geslacht; dit voorstel werd door de Tweede Kamer verworpen |
| - | |
Interpelleerde in 1855 minister Forstner van Dambenoy over de vraag of in de bestaande omstandigheden een verplaatsing van het Limburgs contingent buiten de grenzen te verwachten was |
| - | |
Interpelleerde in 1856 de ministers Van Reenen en Van Hall over de stremming van de scheepvaart op de Maas en het Zuid-Willemskanaal |
| - | |
Interpelleerde in 1858 minister Van Rappard over de stand van zaken bij de spoorwegen |
| - | |
Behoorde in mei 1866 tot de liberalen die vóór het amendement-Poortman op de ontwerp-Cultuurwet stemden. Aanneming van dit amendement leidde tot de val van het kabinet-Fransen van de Putte. |
| - | |
Interpelleerde in 1867 minister Van Zuylen van Nijevelt over Luxemburgse aangelegenheden |
| - | |
Interpelleerde in 1868 de regering over de (tweede opeenvolgende) Kamerontbinding. De interpellatie eindigde met aanneming van de motie-Blussé van Oud-Alblas, waarin de ontbinding niet in het landsbelang werd genoemd. |
| - | |
Bracht in 1850 de Kieswet tot stand, waarin uitwerking werd gegeven aan de bepalingen van de herziene Grondwet. De Tweede-Kamerleden werden via een districtenstelsel voor zes jaar gekozen, waarbij de helft om de drie jaar aftrad. Het land werd in 38 kiesdistricten verdeeld, waarvan 11 met één en 26 met twee afgevaardigden. Amsterdam koos vijf afgevaardigden. Wijziging van de districtsindeling moest iedere vijf jaar bij wet geschieden. |
| - | |
Bracht in 1850 de Provinciale Wet tot stand. Deze regelde het bestuur in de provincies. Provinciale Staten werden via een districtenstelsel voor zes jaar direct gekozen op basis van censuskiesrecht, waarbij de helft iedere drie jaar aftrad. Uit het midden van Provinciale Staten werd het College van Gedeputeerde Staten gekozen. In plaats van Gouverneurs kwamen er door de Kroon benoemde Commissarissen des Konings. De Commissaris werd voorzitter van Provinciale en Gedeputeerde Staten en had in laatstgenoemd college stemrecht. |
| - | |
Bracht in 1851 de Gemeentewet tot stand. Het onderscheid tussen steden en plattelandsgemeenten verdween en de Friese grietenijen werden eveneens gemeenten. De vaststelling van grenzen en vereniging en splitsing van gemeenten moest bij wet plaatsvinden. Aan het hoofd van de gemeente komt de rechtstreeks gekozen gemeenteraad, waarvan de leden voor zes jaar werden gekozen op basis van censuskiesrecht. De voor zes jaar door de Kroon benoemde burgemeester is voorzitter van de raad en van het dagelijks bestuur, het college van burgemeester en wethouders. De gemeenten zijn deels autonoom en hebben deels taken van zelfbestuur: zij voeren mede het rijksbeleid uit. Gedeputeerde Staten oefent repressief toezicht uit op de gemeentefinanciën en de Kroon op besluiten van de raad. Iedere gemeente kreeg een eigen gemeentelijke politie. |
| - | |
Bracht in 1851 een nieuwe Onteigeningswet tot stand. Onteigening moest bij wet geschieden onder verklaring dat onteigening ten algemene nutte strekte en met globale aanduiding van de werkzaamheden. |
| - | |
Bracht in 1852 een wet inzake de electro-magnetische telegrafen tot stand, waarbij de oprichting van de Rijkstelegraaf werd geregeld die het monopolie kreeg voor het verzenden van telegrammen |
| - | |
Bracht in 1852 de Wet inzake jacht en visserij tot stand, waardoor jagen of vissen op andermans grond alleen na schriftelijke toestemming van de eigenaar mogelijk werd. |
| - | |
Bracht in 1863 een wet tot vereniging van de gemeenten Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Houtrijk en Polanen en Zuidschalkwijk tot stand |
| - | |
Bracht in 1863 de Wet op het middelbaar onderwijs tot stand, die onder meer een wettelijke basis gaf aan de hogere-burgerscholen. Verder werden er regels gesteld voor het onderwijs (vakken, examens, onderwijzers) aan burger- en landbouwscholen. De Koninklijke Academie in Delft werd Polytechnische School. Hier vond de opleiding van ingenieurs plaats. |
| - | |
Bracht in 1863 de Wet tot regeling van de exploitatie van staatsspoorwegen tot stand, waardoor de (particuliere) Maatschappij tot exploitatie van staatsspoorwegen concessie tot exploitatie kreeg. |
| - | |
Bracht in 1863 de Wet inzake het Noordzee-kanaal en die tot verbetering van de Nieuwe Waterweg tot stand |
| - | |
Bracht in 1864 een wet tot stand waardoor het ledental van de Tweede Kamer werd uitgebreid van 72 naar 75 |
| - | |
Bracht in 1865 wetten tot stand inzake het geneeskundig Staatstoezicht, inzake de uitoefening der geneeskunst en inzake de uitoefening van de artsenijbereidkunst, alsmede tot regeling van de bevoegdheid voor het verkrijgen van geneeskundige, apotheker, hulp-apotheker, leerling-apotheker en vroedvrouw. Op grond van de Wet inzake het geneeskundig staatstoezicht kwamen er inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de volksgezondheid en geneeskundige raden. |
| - | |
Was als voorzitter van de Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening grondlegger van het parlementaire stelsel van Nederland |
| - | |
Werd in februari en september 1849 als tweede op de voordracht voor het Tweede-Kamervoorzitterschap gezet. In september 1849 werd hij bij de keuze van de nummer één van de voordracht met twee stemmen verschil verslagen door J.K. van Goltstein. |
| - | |
Voltooide in 1849 pas na een onderhoud met de koning zijn formatie (samen met Nedermeyer). Dat onderhoud was tot stand gekomen door tussenkomst van Van Golstein, nadat de koning aan de formateurs had gevraagd hem schriftelijk in te lichten over hun zienswijze op belangrijke punten van bestuur en wetgeving. |
| - | |
Beantwoordde in 1849 de kritiek vanuit de Tweede Kamer dat zijn kabinet niet homogeen zou zijn met de woorden: "Wacht op onze daden!" |
| - | |
Zijn eerste kabinet trad af, nadat de koning in zijn reactie op een aan hem gericht adres (de April-beweging) over het herstel van de kerkelijke hiërarchie, was afgeweken van het advies van het kabinet. |
| - | |
Zijn tweede kabinet stond bekend als "het kabinet-met-den-spade-op-den-schouder". Dit kabinet bevorderde de vrijhandel en verbeterde de infrastructuur. |
| - | |
Kwam in 1866 in conflict met Fransen van de Putte over de vraag of het Wetboek van Strafrecht voor Nederlands-Indië bij K.B. of bij wet moest worden ingevoerd. Toen alleen Olivier zijn keuze voor invoering bij wet steunde, diende hij zijn ontslag in. |
| - | |
Sprak op 9 april 1867 bij de behandeling van een wetsvoorstel tot beteugeling van de veepest de woorden: "de veetyphus is eene ramp voor het land, maar een zegen voor de oppositie". |
| - | |
Zijn derde kabinet stond bekend als "het kabinet-met-het-geweer-op-den-schouder". Van de plannen tot legerhervorming kwam echter niets. |
| - | |
Toen zijn familie naar Duitsland ging, werd hij opgenomen in het gezin van Ds. A. Droysen in 1812 |
| - | |
Schreef zich in als student in Amsterdam om buiten de conscriptie te vallen |
| - | |
Om hem te laten studeren, ontzegde de familie zich alles |
| - | |
Had grote belangstelling voor Cicero en Asinus Pollio |
| - | |
Doctoraalcolleges bij Prof. J.H. van Reenen, Prof. J.H. van Swinden en Prof. H. Boscha te Amsterdam |
| - | |
Woonde tijdens zijn letteren studie in Amsterdam bij Ds. Sartorius, die hem begeleidde bij zijn studie |
| - | |
Zelfstudie, met name op het gebied der statistiek |
| - | |
Kandidaat voor de vacante leerstoel in de filosofie Rijksuniversiteit in Leiden in 1822, maar werd niet benoemd omdat hij te jong was. |
| - | |
Kandidaat voor de vacante leerstoel voor de wijsbegeerte aan de Universiteit van Utrecht in 1824, maar niet benoemd omdat de curatoren hem minder geschikt vonden |
| - | |
Was kort na zijn aantreden als minister in 1849 zes weken grotendeels uitgeschakeld door ziekte |
| - | |
Bevriend met onder anderen zijn mede-Kamerlid L.D. Storm en zijn leerling James Loudon |
| - | |
Zijn vader was grossier in tabak en koloniale waren |
| - | |
Zijn dochters kregen na zijn dood een levenslang pensioen van staatswege |
| - | |
Werd in 1848 gekozen in de districten Leiden en Zutphen. Versloeg in het district Zutphen R.W. Tadema en in Leiden D.Th. Gevers van Endegeest (cons.). Werd in het district Leiderdorp na herstemming verslagen door G.W. Verweij Mejan, in het district Gouda door G.M. van der Linden en in het district Dordrecht door J.S. Lotsy. Hij was tevens kandidaat in de districten Almelo, Brielle, Deventer, Middelburg, Ridderkerk, Rotterdam en Zaandam. |
| - | |
Werd in 1853 niet in een noordelijk district gekozen, maar in de (katholieke) districten Breda en Maastricht. Nam zitting voor Maastricht. Werd in het district Deventer na herstemming verslagen door jhr. C.M. Storm van 's-Gravesande en in het district Den Bosch na herstemming door J.H.H. de Poorter. Werd in Leiden verslagen door de conservatieven P.H. baron van Taets van Amerongen en jhr. D.Th. Gevers van Endegeest. |
| - | |
Werd in 1856 in de districten Deventer en Maastricht gekozen en nam zitting voor Deventer. Versloeg in Deveneter jhr. C.M. Storm van 's-Gravesande en werd in Maastricht bij enkelvoudige kandidaatstelling gekozen. |
| - | |
Werd in maart 1866 bij tussentijdse verkiezingen in de districten Groningen en Zutphen gekozen en nam zitting voor het district Groningen. Versloeg in Groningen O.Q.J.J. van Swinderen en in Zutphen H.W. Swaving en L.A.F.H. baron van Heeckeren. |
| - | |
Werd in 1866 bij de algemene verkiezingen in de districten Assen en Groningen gekozen en nam zitting voor Assen. Versloeg in Assen na herstemming L. Oldenhuis Gratama en P.Ph. van Bosse (lib.) en in Groningen o.a. E. van Loon en L.W.Ch. Keuchenius (a.r.). |
| - | |
Werd in 1868 bij de algemene verkiezingen in de eerste stemmingsronde gekozen. Versloeg o.a. P. van der Veen (cons.). |
| - | |
"Responsio ad quaestionem philosopticam: de principio philosophiae et officiorum in ciceronis operibus philosophicis" (1817) (verhandeling t.g.v. een prijsvraag over Cicero's moraal filosofie; werd met goud bekroond) |
| - | |
"Commentatio ad quaestionem literariam: ex iis quae in libris Ciceronis de oratore a Crasso, Antonio, Caesare, aliis, de eloquentia disputantur, ipsius efficiatur Ciceronis de perfecto oratore sententia" (1820) (ingezonden t.g.v. een prijsvraag) |
| - | |
"Commentatio de C. Asinii Pollionis vita et studiis doctrinae" (dissertatie, 1820) |
| - | |
"Responsio ad quaestionem philosophicam: de eo, quod in dogmaticis oppugnandis, inter academicos et scepticos interfuit" (1821) (ingezonden t.g.v. een prijsvraag) |
| - | |
"Uber das wesen und das organischen Charakter der Geschichte" (opstel, 1824) |
| - | |
"Bedenkingen aangaande het Regt en Den Staat" (1824) (rechtsfilosofisch geschrift, waarmee hij zich mengde in de rechtsfilosofische twist tussen W. Bilderdijk en Kinker) |
| - | |
Deed mee aan een prijsvraag die geschied- en letterkundigen uitnodigde om een plan te maken volgens welke de geschiedenis van Ned. zou moeten worden bewerkt (niet bekroond (1826)) |
| - | |
"Staatsinrigting en Staatsbestuur" |
| - | |
Brochure over onderwijs (1829) |
| - | |
"Over het hedendaagsche staatsburgerschap" (rede, 1830) |
| - | |
"Over de verandering van het algemeen staten-stelsel sedert den Franse onwenteling" (1831) |
| - | |
"Aantekening op de Grondwet" (1839) |
| - | |
"Over de herziening van ons kiesstelsel" (1842) |
| - | |
twee brochures over de Belgische afscheiding (1830) |
| - | |
"Proeve van herziening der Grondwet" (1840) |
| - | |
"Over plaatselijke begrooting" (1847) |
| - | |
"Bijdrage tot de herziening van de Grondwet" (1848) |
| - | |
"Parlementaire redevoeringen 1840-1866" (1856-1870), 6 dln. |
| - | |
"De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J.R. Thorbecke" (1900-1910), 6 dln. |
| - | |
"Narede. Parlementaire redevoeringen ministerie van sept 1865-febr 1866" (1870) |
| - | |
"Historische schetsen" (1872) |
| - | |
zie ook: http://home.planet.nl/~janss281/thorbeckiana.html |
| - | |
S. van Houten, "De Staatsleer van mr. J.R. Thorbecke" (1872) |
| - | |
P. Fredericq, "Thorbecke voor 1830" (1906) |
| - | |
C. van Vollenhoven, "Professor Thorbecke" (1931) |
| - | |
D. Hans, "Thorbecke" (1932) |
| - | |
W. Verkade, "Overzicht der staatkundige denkbeelden van Johan Rudolf Thorbecke" (1935) |
| - | |
J.B. Manger, "Thorbecke en de Historie" (1938) |
| - | |
A. Alberts, "Baud en Thorbecke 1847-1851" (1939) |
| - | |
I.J. Brugmans, "Thorbecke" (1948) |
| - | |
K.H. Boersena, "Johan Rudolf Thorbecke. Een historisch-critische studie" (1949) |
| - | |
C.W. de Vries, "De ongekende Thorbecke" (1950) |
| - | |
A. Graafhuis, "Johan Rudolf Thorbecke" (1956) |
| - | |
A. Alberts, "Johan Rudolf Thorbecke" (1965) |
| - | |
W. Verkade, "Thorbecke als Oost-Nederlands patriot" (1974) |
| - | |
C.H. de Wit, "Thorbecke en de wording van de Nederlandse natie" (1980) |
| - | |
G.A. van der List, "J.R. Thorbecke 1789-1872", in: G.A. van der List en P.C.G. van Schie (red.), "Van Thorbecke tot Telders" (1993) |
| - | |
H. te Velde, "Stijlen van leiderschap. Persoon en politiek van Thorbecke tot Den Uyl", 19-51 (2003) |
| - | |
J. Drentje, "Thorbecke. Een filosoof in de politiek" (2004) |
| - | |
G.J. Hooykaas, "Thorbecke. Een leven in brieven" (2005) |
| - | |
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel IV, 1308 |
| - | |
Ned. Patriciaat, 1986 |