| - | |
predikant Nederlandse Hervormde Kerk te Heinenoord (Z.H.), van 1888 tot 1891 |
| - | |
predikant Nederlandse Hervormde Kerk te Vlissingen, van 1891 tot 1895 |
| - | |
predikant Nederlandse Hervormde Kerk te Arnhem, van 1895 tot 1901 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Tietjerksteradeel, van 17 september 1901 tot 12 februari 1908 |
| - | |
minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, van 12 februari 1908 tot 28 augustus 1913 |
| - | |
minister van Waterstaat ad interim, van 7 januari 1909 tot 20 januari 1909 (na het overlijden van minister Bevers) |
| - | |
veldprediker en predikant Nederlandse Hervormde Kerk te Bennebroek (N.H.), van juni 1914 tot 12 juli 1916 |
| - | |
lid commissie van advies Nederlandsch Werkliedenverbond "Patrimonium", vanaf 1894 |
| - | |
lid redactie verbondsorgaan "Patrimonium", vanaf 1898 |
| - | |
lid bestuur Asyl Steenbeek te Zetten, omstreeks 1899 |
| - | |
redacteur weekblad "Patrimonium", van 1900 tot 1908 |
| - | |
lid Staatscommissie van enquête omtrent het spoorwegpersoneel, van 20 april 1903 tot 14 januari 1904 (ingesteld na de Spoorwegstaking 1903) |
| - | |
voorzitter Staatscommissie voor het Tramwegpersoneel, van mei 1906 tot februari 1908 |
| - | |
voorzitter dagelijks bestuur Vereeniging "de Nederlandsche Vereeniging Landverhuizing" |
| - | |
lid Mijnraad, van 1913 tot 1 januari 1916 |
| - | |
lid Werkloosheidsraad, omstreeks 1914 |
| - | |
lid commissie van uitvoering Koninklijk Nationaal Steuncomité, van 22 augustus 1914 tot 12 juli 1916 |
| - | |
Bracht in 1908 de Wet opsporing van delfstoffen tot stand. Deze bepaalde dat het opsporen van delfstoffen in heel Nederland gedurende 15 jaar van staatswege zou geschieden en dat het opsporen van steenkool en zouten door particulieren was verboden. Voor het opsporen van andere delfstoffen was een vergunning nodig. De Mijnwet van 1903 werd ingetrokken. |
| - | |
Bracht in 1908 de Visserijwet (Stb. 311) tot stand. Deze regelt onder meer de vaststelling van de grenzen tussen binnen- en kustvisserij, de registratie van vissersschepen, de keuring van gekaakte haring en de instelling van een College voor de visscherijen en van een Visserij-inspectie |
| - | |
Bracht in 1909 de Schepenwet (Stb. 219) tot stand, die regels bevatte over het voorkomen van ongevallen op schepen. Er wordt een Raad voor de scheepvaart ingesteld. |
| - | |
Bracht in 1911 de Plantenziektenwet tot stand, op grond waarvan de Plantenziektenkundige Dienst werd ingesteld |
| - | |
Bracht in 1911 de Steenhouwerswet tot stand, waardoor het voor werkgevers in de steenindustrie verboden werd minderjarigen in dienst te nemen zonder medische verklaring. |
| - | |
Bracht in 1911 een wijziging (Stb. 315) van de Arbeidswet 1889 tot stand, waarbij vrouwen- en kinderarbeid verder werd beperkt. De arbeidsduur voor vrouwen en jeugdigen werd beperkt tot 10 uur per dag (en maximaal 58 uren per week). Nachtarbeid door vrouwen werd verboden, evenals arbeid door gehuwde vrouwen op zaterdag na 13:00 uur. |
| - | |
Bracht in 1912 de Vogelwet tot stand, die bescherming bood aan alle in Europa in het wild levende vogels, uitgezonderd vogels die schadelijk zijn voor land-, tuin- en bosbouw |
| - | |
Bracht in 1912 samen met minister E. Regout de Octrooiwet (Stb. 313) tot stand. Hierdoor werden uitvindingen weer wettelijk beschemd. In 1869 was de Octrooiwet van 1817 buiten werking gesteld. |
| - | |
Bracht in 1913 de Radenwet (Stb. 203) tot stand, waardoor plaatselijke Raden van Arbeid in het leven werden geroepend die belast waren met de uitvoering van de socialeverzekeringswetten. |
| - | |
Bracht in 1913 de Ziektewet (Stb. 204) tot stand. Deze voerde een verplichte verzekering in van werknemers in loondienst tegen ziekte en ziektebehandeling. Kleine zelfstandigen konden zich vrijwillig aansluiten bij de verzekering. De premies werden zowel door werkgevers als werknemers opgebracht. De Ziektewet zou pas in 1930 worden ingevoerd. |
| - | |
Bracht in 1913 de Invaliditeits- en oudersdomswet (Stb. 205) tot stand. Deze voerde een verzekering in tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit, ouderdom (70 jaar en ouder) en overlijden van arbeiders. Er kwam een verplichte verzekering via de Raden van Arbeid voor arbeiders in loondienst. Premiebetaling geschiedde door de werkgever door het plakken van rentezegels op een rentekaart. Er was geen waardevaste of welvaartsvaste uitkering. De (herziene) wet trad 3 december 1919 in werking. |
| - | |
C.K. Elout, "De Heeren in Den Haag" (2e reeks, 1909), p.18 |
| - | |
C. Smeenk en P. van Vliet, "Een held in volle wapenrusting, ds. A.S. Talma en zijn arbeid" (1916) |
| - | |
J.M. Vellinga, "Talma's sociale arbeid" (1941) |
| - | |
T. de Ruiter, "Minister A.S. Talma" (1946) |
| - | |
I.A. Diepenhorst, "Aritius Sybrandus Talma", in: C. Bremmer (red.), "Personen en momenten uit de geschiedenis van de Anti-Revolutionaire Partij" (1980) |
| - | |
J. van der Molen, "Talma, Aritius Sybrandus", in: Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland, deel I, 129 |
| - | |
J.T. Minderaa, "Talma, Aritius Sybrandus (1864-1916)", in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel I, 572 |
| - | |
Onze Afgevaardigden, 1901, 1905 |