| - | |
werkzaam in het bankwezen te Rotterdam en Amsterdam, van 1919 tot 1923 |
| - | |
beambte Staatsmijnen, van 1923 tot 1925 |
| - | |
burgemeester van Amstenrade, van 1 juli 1925 tot 15 februari 1934 (ontslag vanwege ambtenarenverbod voor NSB'ers) |
| - | |
lid Provinciale Staten van Limburg, van 8 april 1927 tot 1930 (voor de RKSP) |
| - | |
lid Provinciale Staten van Limburg, van 2 juli 1935 tot juni 1937 (voor de NSB) |
| - | |
lid Eerste kamer der Staten-Generaal, van 18 december 1935 tot 8 juni 1937 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 8 juni 1937 tot 4 februari 1941 |
| - | |
fractievoorzitter NSB Tweede Kamer der Staten-Generaal, van juni 1937 tot 10 mei 1940 |
| - | |
Commissaris der Provincie Limburg, van 1 februari 1941 tot 6 september 1944 (benoemd 5 januari 1941) |
| - | |
gevangenisstraf, van mei 1946 tot 1 juli 1954 (in 1945 tot 15 jaar veroordeeld) |
| - | |
ambteloos |
| - | |
Bezocht januari 1934 het Vaticaan om een tegen de NSB gericht pauselijk mandement tegen te houden, doch deze poging had geen succes |
| - | |
Werd in 1934 door Mussert belast met de buitenlandse contacten van de NSB |
| - | |
Door de Eerste Kamer werd in 1935 een onderzoek ingesteld naar zijn nationaliteit |
| - | |
Werd 20 juni 1935 op zijn verzoek uit het Duitse staatsverband ontslagen |
| - | |
In juli 1938 besloten de Staten van Limburg hem niet toe te laten als lid, omdat hij, zoals de wet vereiste, de twaalf maanden ervoor geen ingezetene van Limburg was geweest |
| - | |
Werd in 1940 belast met de contacten van de NSB met de bezettingsmachten |
| - | |
Voerde als Commissaris der Provincie in 1941 in Limburg het leidersbeginsel in voor de besturen van gemeenten, waarop 44 burgemeesters ontslag namen |
| - | |
Nam in 1925 van een oom het landgoed Amstenrade over en beheerde dat daarna als eigenaar |
| - | |
Van zijn vijf broers waren er vier met Duitse edelvrouwen gehuwd, zijn twee zussen waren met een Duitse graaf, resp. jonkheer gehuwd |
| - | |
Genaturaliseerd tot Pruisisch staatsburger op 23 november 1912 |
| - | |
Trad in 1914 vrijwillig als Fahnen Junker toe tot het Duitse leger en diende daarin als officier tot het einde van de Eerste Wereldoorlog |
| - | |
Keerde in 1918 naar Nederland terug |
| - | |
Een verzoek tot renaturalisatie werd in 1920 afgewezen, omdat hij volgens de minister van Justitie het Nederlanderschap niet had verloren |
| - | |
Huwde in 1930 met een Duitse jonkvrouw |
| - | |
Door de marechaussee werd in april 1940 op zijn kasteel in Amstenrade - zonder resultaat - huiszoeking gedaan naar illegale wapens |
| - | |
Nadat de doodstraf tegen hem was geëist, veroordeelde het Bijzonder Gerechtshof te 's-Hertogenbosch hem op 13 mei 1946 tot vijftien jaar gevangenisstraf en levenslange ontzetting uit de beide kiesrechten, wegens het in tijd van oorlog opzettelijk hulp verlenen aan de vijand. Nadat wederom de doodstraf tegen hem was geëist, is dit vonnis op 9 oktober 1946 bevestigd door de Bijzondere Raad van Cassatie. |
| - | |
Werd op 1 juli 1954 na tweederde van zijn straf vrijgelaten |