| - | |
advocaat te Amsterdam, van 1839 tot 1852 |
| - | |
lid Provinciale Staten van Noord-Holland voor het kiesdistrict Amsterdam, van 1 juli 1851 tot 1860 |
| - | |
rechter Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, van 14 januari 1852 tot oktober 1864 |
| - | |
lid gemeenteraad van Amsterdam, van 1856 tot 1 juni 1866 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Amsterdam, van 24 april 1860 tot 19 september 1864 |
| - | |
raadsheer Provinciaal Gerechtshof te Noord-Holland, van 24 oktober 1864 tot 1 juni 1866 |
| - | |
lid Provinciale Staten van Noord-Holland voor het kiesdistrict Amsterdam, van 1865 tot 1 juni 1866 |
| - | |
minister van Binnenlandse Zaken, van 1 juni 1866 tot 4 juni 1868 |
| - | |
minister van Justitie ad interim, van 10 november 1867 tot 4 januari 1868 (na het overlijden van minister Borret) |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Gorinchem, van 9 februari 1869 tot 15 september 1873 |
| - | |
raadsheer Hoge Raad der Nederlanden, van 7 oktober 1873 tot 27 augustus 1874 |
| - | |
minister van Binnenlandse Zaken, van 27 augustus 1874 tot 2 november 1877 |
| - | |
ambteloos, van november 1877 tot september 1879 |
| - | |
lid Raad van State, van 15 september 1879 tot 22 april 1883 |
| - | |
minister van Binnenlandse Zaken, van 22 april 1883 tot 20 april 1888 |
| - | |
voorzitter van de ministerraad, van 22 april 1883 tot 20 april 1888 (formeel tijdelijk) |
| - | |
lid Raad van State, van 6 juli 1888 tot 9 oktober 1897 |
| - | |
kantonrechter-plaatsvervanger te Amsterdam, van 1844 tot 1849 |
| - | |
rechter-plaatsvervanger Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, van 1849 tot 1850 |
| - | |
lid curatorium Klinische School te Amsterdam |
| - | |
lid commissie Remonstrantse Broederschap |
| - | |
lid Commissie belast met het afnemen der diplomatieke examens, vanaf 11 maart 1863 (nog in 1871) |
| - | |
lid College van Curatoren Atheneum Illustre te Amsterdam, omstreeks 1865 |
| - | |
lid Commissie van Toezicht over de Genees-, heel- en verloskundige school te Amsterdam, omstreeks 1865 |
| - | |
lid Raad van Commissarissen "Dagblad van Zuid-Holland", van 1869 tot 1873 |
| - | |
lid bestuur Nederlandsche Juristen-Vereeniging, van 1870 tot 1874 |
| - | |
kabinetsformateur, van 14 juli 1874 tot 25 augustus 1874 |
| - | |
lid bestuur Nederlandsche Juristen-Vereeniging, van 1880 tot 1883 |
| - | |
kabinetsformateur, van 4 maart 1883 tot 12 maart 1883 (poging mislukte) |
| - | |
kabinetsformateur, van 29 maart 1883 tot 20 april 1883 |
| - | |
voorzitter Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening, van 11 mei 1883 tot 18 maart 1885 |
| - | |
tijdelijk voorzitter ministerraad, van december 1867 tot maart 1868 |
| - | |
lid afdeling Binnenlandse Zaken (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling Financiën (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling geschillen van bestuur (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling Koloniën (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling Waterstaat, Handel en Nijverheid (Raad van State) |
| - | |
tijdelijk voorzitter ministerraad, van augustus 1874 tot november 1877 |
| - | |
Was in 1867 als minister verantwoordelijk voor het doen uitgaan van een circulaire aan de Commissarissen des Konings, waarin werd bevolen de Koninklijke proclamatie over de Kamerontbinding aan te laten plakken in de gemeenten. Liet tevens met de oproepingsbriefjes een afdruk van de koninklijke proclamatie meesturen. |
| - | |
Benoemde als minister van Binnenlandse Zaken in 1867 de conservatief Van Heiden Reinestein tot Commissaris des Konings in het overwegend liberale Groningen en weigerde de liberaal Pyls te herbenoemen als burgemeester van Maastricht |
| - | |
Stelde in 1875 als minister van Binnenlandse Zaken de afdeling Kunsten en Wetenschappen in en benoemde de katholiek Victor de Stuers tot chef van die afdeling |
| - | |
Diende in 1876 een ontwerp-Wet op het lager onderwijs in, die verzoening beoogde tussen openbaar en bijzonder onderwijs, maar die bestreden werd door de liberalen |
| - | |
Diende in 1877 een wetsvoorstel in tot bedijking en droogmaking van de Zuiderzee en tot aanleg van een kanaal van Amsterdam naar de Waal. Dit wetsvoorstel werd door zijn opvolger ingetrokken. |
| - | |
Diende in 1877 een wetsvoorstel in tot verlaging van de census op het platteland (van 32 en 30 gulden naar 24 en 20 gulden). De weigering van de Tweede Kamer om dit voorstel in behandeling te nemen, was één van de redenen voor de val van het kabinet. |
| - | |
Tijdens het door hem tussen 1883 en 1888 geleide kabinet was sprake van een economische recessie die tot werkloosheid en armoede leidde |
| - | |
Stelde in mei 1883 een Staatscommissie in die onder zijn leiding een grondwetsherziening moest voorbereiden |
| - | |
Liet bij de opening van de Staten-Generaal in september 1883 de publieke tribune bezetten door weesmeisjes uit vrees voor een socialistische demonstratie voor algemeen kiesrecht |
| - | |
Diende in 1885 een wijziging van de Kieswet in tot herziening van de districtenindeling en uitbreiding van het ledental van de Tweede Kamer. Dit voorstel werd in november 1885 met 44 tegen 42 stemmen verworpen. |
| - | |
Diende in 1886 een wetsvoorstel in tot beperkingen van vergaderingen en optochten; dit wetsvoorstel bracht het niet tot openbare behandeling |
| - | |
Kreeg als minister van Binnenlandse Zaken in 1886 te maken met onrust in Den Haag en Amsterdam ('palingoproer') |
| - | |
Wist in de periode 1885-1887 geen wijziging van het onderwijsartikel in de Grondwet tot stand te brengen, maar tijdens de debatten hierover werd wel uitgesproken dat de Grondwet zich niet verzette tegen subsidiëring van bijzonder onderwijs. |
| - | |
Bracht in 1867 een wet tot stand waarbij Schiedam werd uitgebreid met de op te heffen gemeente Oud- en Nieuw-Mathenesse en delen van Kethel en Vlaardinger-Ambacht |
| - | |
Bracht in 1867 een wet tot stand over de aanleg op staatskosten van een brug over het Hollands Diep (Moerdijkbrug) |
| - | |
Bracht in 1884 een wet tot stand waarbij de gemeente 's-Gravenhage werd uitgebreid met een deel van de gemeente Wassenaar (Duindigt, Waalsdorp) |
| - | |
Bracht in 1875 met minister Enderlein de Hinderwet tot stand. Deze bevatte regels over inrichtingen die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken. Onder de wet vielen onder meer inrichtingen (fabrieken) voor het vervaardigen of verwerken van gevaarlijke stoffen (zoals buskruit, chemicaliën, lood, zink en fosfor), gasfabrieken, stoombedrijven, branderijen, brouwerijen, slachterijen, smelterijen en timmerbedrijven, alsmede fabrieken voor kolen- en olieverwerking. De gemeenteraad kon voor oprichting van dergelijke inrichtingen een vergunning verlangen of daarvoor een bepaalde plaats aanwijzen. Bij gevaar, schade voor derden of hinder van ernstige aard kon de vergunning worden geweigerd. |
| - | |
Bracht in 1875 een wet tot stand over de aanleg van een spoorverbinding tussen Arnhem en Nijmegen |
| - | |
Bracht in 1875 een nieuwe Spoorwegwet en de wet tot aanleg van spoorwegen tot stand. De Spoorwegwet verving de wet uit 1859 en regelde de dienst en het gebruik van de spoorwegen. De dienst op een spoorweg mocht alleen met toestemming van de minister worden geopend. Een reglement voor de dienst moest eveneens worden goedgekeurd. Verder regelde de wet het toezicht op de spoorwegen en zaken als het vervoer van militairen en bebouwing langs spoorwegen. Er kwamen nieuwe spoorlijnen van Stavoren naar Leeuwarden, van Groningen naar Delfzijl, van Zwolle naar Almelo, van Dordrecht via Gorinchem en Tiel naar Elst, van Amersfoort naar Nijmegen, van Nijmegen naar Venlo, van Rotterdam naar Hoek van Holland, van Zaandam naar Enkhuizen en van 's-Hertogenbosch via de Langstraat naar Lage Zwaluwe. |
| - | |
Bracht in 1876 de Hoger-Onderwijswet tot stand. Deze regelde het onderwijs aan universiteiten en gymnasia. De wet zorgde er onder meer voor dat het Atheneum Illustre verheven werd tot (Gemeentelijke) Universiteit van Amsterdam. De studie-eisen en organisatie van de universiteiten (die Rijksuniversiteit in plaats van Hogeschool werden) werden gemoderniseerd. Het oprichten van bijzondere universiteiten werd mogelijk, maar studenten moesten aan een rijksuniversiteit afstuderen. In alle gemeenten met meer dan 20.000 inwoners diende een gymnasium te komen, waarvan het behalen van het einddiploma toegang gaf tot de universiteit. Vrijstelling van schoolgeld voor gymnasia was mogelijk. |
| - | |
Bracht in 1876 een wet inzake de voorwaarden tot verkrijging van de afzonderlijke bevoegdheid tot uitoefening van de tandheelkunst tot stand |
| - | |
Bracht in 1884 een wet tot stand waarbij de gemeente Schoonebeek werd ingesteld (door afsplitsing van Dalen) |
| - | |
Bracht in 1884 met minister Du Tour van Bellinchave de Wet inzake het staatstoezicht op krankzinnigen en krankzinnigengestichten (Krankzinnigenwet) tot stand. Deze stelde voorwaarden vast voor de opneming en verpleging in het Rijksgesticht te Medemblik of in één van de particuliere gestichten. Een meerderjarige bloedverwant of aangehuwde, alsmede echtgenoot, voogd of curator kon aan de kantonrechter verzoeken een krankzinnige in een gesticht te doen plaatsen. Een officier van justitie kon daartoe bij een rechtbank een verzoek indienen. Een meerderjarige kon ook zelf om opneming verzoeken. Een geneeskundige moet daarna binnen zeven dagen verklaren of er sprake was van krankzinnigheid. Door een schriftelijke verklaring van de geneeskundige of op verzoek van het O.M. kon ontslag worden verleend uit het gesticht. Ook een bloedverwant of aangetrouwde kon hierom verzoeken. |
| - | |
Bracht in 1884 een beperkte Grondwetsherziening tot stand, die het mogelijk maakte dat ook tijdens een regentschap de Grondwet kon worden gewijzigd. Deze wijziging was nodig in verband met de gezondheid van de koning en de kans dat er spoedig een langdurig regentschap zou zijn. |
| - | |
Bracht in 1884 een wet tot stand waarbij koningin Emma als regentes werd aangewezen tijdens de minderjarigheid van haar dochter, indien deze voor haar achttiende tot de troon zou worden geroepen |
| - | |
Bracht in 1885 een wet tot stand tot uitbreiding van Rotterdam met het grondgebied van de op te heffen gemeente Delfshaven |
| - | |
Bracht in 1887 een wet inzake vereniging van de gemeenten Rimburg en Ubach over Worms tot stand |
| - | |
Bracht in 1887 de Wet Bevolkings- en Verblijfsregisters tot stand, die regels mogelijk maakte over het aanleggen, inrichten en bijhouden van bevolkingsregisters en over de wijze waarop inlichtingen daaruit konden worden verstrekt |
| - | |
Had in 1887 een groot aandeel in de totstandkoming van de Grondwetsherziening. Deze grondwetsherziening leidde tot opneming van het zgn. caoutchouc-artikel over het kiesrecht: kiesrecht voor mannen die over door de Kieswet te bepalen kentekenen van geschiktheid en maatschappelijk welstand beschikken. Anders dan in 1848 wordt expliciet vastgelegd dat alleen mannen kiesrecht hebben. Daarnaast werd het zeteltal van Tweede en Eerste Kamer uitgebreid naar resp. 100 en 50, werd bepaald dat alle Tweede-Kamerleden iedere vier jaar gelijktijdig zouden aftreden, en werden de eisen voor verkiesbaarheid voor de Eerste Kamer verruimd (ook hoge openbare ambten geven recht op verkiesbaarheid, uitbreiding aantal verkiesbare hoogst aangeslagenen). Er komen, met uitzondering van in de grote steden, enkelvoudige kiesdistricten. |
| - | |
Werd in december 1859 bij tussentijdse verkiezingen in het district Amsterdam gekozen; versloeg in de eerste stemmingsronde W. Poolman |
| - | |
Werd in 1864 in het district Amsterdam bij de herstemming verslagen |
| - | |
Versloeg in december 1868 bij tussentijdse verkiezingen in het het district Gorinchem jhr. J.W. van Loon (a.r.) na herstemming |
| - | |
Versloeg in 1869 jhr. M.M. van Asch van Wijck (a.r.) |
| - | |
Werd in 1873 na herstemming verslagen door jhr. J.J. Teding van Berkhout (a.r.) |
| - | |
Werd in 1879 in het district Alkmaar verslagen door J.L. de Bruyn Kops (lib.) |
| - | |
Werd in 1888 in het kiesdistrict Amersfoort verslagen door antirevolutionaire kandidaten |
| - | |
Sagittarius, "Parlementaire Portretten. De aftredende helft van de Tweede Kamer der Staten-Generaal" (1869) |
| - | |
F. Netscher, "In en om de Tweede Kamer. Parlementaire portretten en schetsen" (1889) |
| - | |
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel I, 1044 |
| - | |
Levensbericht door W.J. van Welderen baron Rengers, in: Levensberichten van leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1897/8, 242 |
| - | |
J.J. Huizinga, "J. Heemskerk Azn. (1818-1897), conservatief zonder partij" (1973) |
| - | |
H. van Felius en H.J. Metselaars, "Noordhollandse Statenleden 1840-1919" |
| - | |
P. Hofland, "Leden van de raad. De Amsterdamse gemeenteraad 1814-1941" |
| - | |
"Dagboeken en aantekeningen van Willem Hendrik de Beaufort 1874-1918", uitgegeven door J.P. de Valk en M. van Faassen, p. 998 |
| - | |
Ned. Patriciaat, 1961 |