![]() |
voornamen (roepnaam) |
personalia |
partij/stroming |
loopbaan |
| - | attaché op het ministerie van Buitenlandse Zaken, van 11 maart 1880 tot 1882 | |
| - | gezantschapssecretaris te Brussel, van 16 februari 1882 tot 1888 | |
| - | gezantschapsraad te Parijs, van 30 maart 1888 tot maart 1890 | |
| - | minister-resident te Lissabon, van 13 maart 1890 tot december 1899 | |
| - | buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Stockholm, tevens geaccrediteerd bij het Hof van Denemarken, van 6 december 1899 tot 1912 | |
| - | lid Eerste Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Zuid-Holland, van 6 december 1905 tot 20 september 1910 |
opleiding |
| - | rechtswetenschap (gepromoveerd op dissertatie) Rijksuniversiteit Utrecht, tot 20 december 1878 | |
| - | staatswetenschap (gepromoveerd op stellingen) Rijksuniversiteit Utrecht, tot 20 december 1878 |
activiteiten |
| - | Voerde, behoudens in 1910 over de buitenlandse politiek, als Eerste-Kamerlid zelden het woord (alleen over een wijziging van de Motor- en Rijwielwet en over het conflict met Venezuela) |
wetenswaardigheden |
| - | Werd na de ontbinding van de Eerste Kamer in 1904 gekozen, maar nam pas december 1905 zitting vanwege een conflict met de regering. Naar aanleiding van een intrige, die er mogelijk op gericht was minister Melvil van Lynden ten val te brengen, was hij met de minister in conflict geraakt. Van Heeckeren had weliswaar geweigerd aan de intrige mee te werken, maar had ook inlichtingen geweigerd aan Van Lynden. Deze droeg hem daarom voor ontslag voor, waarmee de ministerraad echter niet instemde. Hij werd wel op non-actief gesteld. Als schikking en uit vrees voor onthullingen werd hem het Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau en een zetel in de Eerste Kamer toegezegd. Minister Van Weede van Berencamp (de opvolger van Van Lynden) trad in augustus 1905 af, omdat hij niet wenste mee te werken aan het decoreren van Van Heeckeren. | |
| - | Vroeg op 9 februari 1910 in een besloten vergadering van de Eerste Kamer minister De Marees van Swinderen bij de Britse en Duitse regering te informeren of zij op grond van het Noordzee-Verdrag de integriteit van het Nederlandse grondgebied zouden eerbiedigen. De minister was daartoe niet bereid. Van Heeckeren had zelf een aandeel gehad in de totstandkoming van het Noordzee-Verdrag en zijn verzoek wekte ontstemming bij Van Swinderen (en anderen). Volgens Van Heeckeren had de Duitse keizer in 1904 direct of indirect bij de Koningin gezinspeeld op een bezetting van Nederland, indien ons land niet aan de Duitse eis voor een betere kustverdediging tegemoet zou komen. Niettegenstaande alle ontkenningen bleek veel later (uit archiefstukken) dat Van Heeckerens mededeling wel degelijk (grotendeels) op waarheid had berust. | |
| - | Werd bij de verkiezingen van 1910 niet meer gekandideerd voor de Eerste Kamer |
| - | Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw | |
| - | Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau, 1905 |
publicaties/bronnen |
| - | J.A. de Bruyne/N. Japikse, "Staatkundige Geschiedenis van Nederland in onzen tijd", deel VI | |
| - | E. van Raalte, "Staatshoofd en ministers", 205 e.v. | |
| - | "Briefwisseling Kuyper-Idenburg, verzorgd, ingeleid en toegelicht door J. de Bruijn en G. Puchinger", 142/143 en 327 | |
| - | "Dagboeken en aantekeningen van Willem Hendrik de Beaufort 1874-1918", uitgegeven door J.P. de Valk en M. van Faassen, deel I | |
| - | Onze Afgevaardigden, 1909 |
familie/gezin |
| - | Zoon van W. baron van Heeckeren van Kell, minister en Tweede-Kamerlid | |
| - | Kleinzoon van W.H.A.C. baron van Heeckeren van Kell, Tweede-Kamerlid | |
| - | Neef (oomzegger) van J.D.C. baron van Heeckeren van Wassenaer, Eerste-Kamerlid | |
| - | Neef van C.M. baron Brantsen, Tweede-Kamerlid | |
| - | Neef van W.G. baron Brantsen van de Zijp, Tweede- en Eerste-Kamerlid |
| personalia |
||
| partij/stroming |
||
| loopbaan |
||
| opleiding |
||
| activiteiten |
||
| wetenswaardigheden |
||
| publicaties/bronnen |
||
| familie/gezin |
||